|
|
Start: Mark
Vervolg Benne
Aanminnige vriendinnen (Ballade)
Mijn wonderlijk aanminnige vriendinnen
Ik heb mij wel met u verbeid
Wij dronken en streelden onze zinnen
Nog kenden wij niet de vergankelijkheid der tijd
Maar nu, ik erken het met spijt
Lieten wij ons door hoogmoed leidden
deden niets om de vergankelijkheid te mijden
Aldus begint dan dit triest verhaal
Met een herinnering aan wat de Ouden zeiden:
‘Leer reeds nu te sterven, u allemaal’
Mijn wonderlijk aanminnige vriendinnen
En het drama waar u vaak tot leidt
Van blik op de vloer én opgeheven kinnen
Een heerlijk, pijnlijk, tweeslachtig beleid
Dat doorpruttelt en mettertijd
Meer tranen brengt dan door wat wij zeiden
En evengoed weer kan verblijden
Door de ernst, zo oud en kaal
Dat zij vanzelf door scherts daarmee leert mijden:
‘Leer reeds nu te sterven,u allemaal’
Zo leert men allengs een andere akker te ontginnen
Wordt ons bij leven reeds een dodenmaal bereid
Maar weet mijn wonderlijk aanminnige vriendinnen:
Dit duurt slechts een kleine spanne aardse tijd
Straks na ons laatste uur en van al ons vlees bevrijdt
Zullen wij ons weer met elkaar vermeiden
Want dood noch ziekte kan ons van elkaar scheiden
En ook al strijden we dan niet meer verbaal
Het minnen gaat door, ook na verademde tijden:
‘leer reeds nu te sterven, u allemaal’
Heb lief, hou vast, vrij doorheen het lijden
En al gelden na de dood andere tijden
lust en verlangen kennen hier geen andere taal
Dus onthoud wat de Ouden u reeds zeiden
‘Leer reeds nu te sterven, u allemaal’
|
|
|
|
Deel 2:
Start: Benne
Vervolg: Mark
Draaideur (Ballade supreme)
Je belt me op en kust me bij de deur,
wil door naar binnen want je jas
is nat en jij en buiten waait de wind, geen gezeur
zolang je bij de kachel mag. Je tas
zit vol met klacht en zucht, ik pas
omdat ik enkel kussen wil.
Jij zal niet storen, heel, héél stil
en goed en ja en kom, vooruit,
zolang ik je boven jezelf uit til.
Maar wel nu, voor je jouw deuren sluit.
Zo begint dan weer de bekende sleur
Houden wij, mijn lief, nog samen pas?
Voortvatend beginnen we weer tot mineur
Maar ik wens onschuld, help uit je jas
Wou dat dit weer voor de eerste keer was
En is nu ik wéér bij je wil
Jij bent weer lief en ik weer kil
In dezelfde zak dezelfde duit
Of omgekeerd, want nieuw is stil
Maar wel nu, voor je jouw deuren sluit.
De kachel brandt, jij krijgt weer kleur
Op je gezicht en lijf, ik heb een pas
van je gehad die toegang geeft tot deze deur
Die je met je rits opendoet, alras
Is het als toen, toen ik je lusten las
In huid en kreun en borst en bil
Een open hart nu ik je vil
Met aai en streel en stijve luit
Dat ene, halsstarrig voor je steigerende deel
Maar wel nu, voor je jouw deuren sluit
Echter jij ziet het grotere geheel
En fluistert: 'van jouw lijf wil ik part nog deel,
maar de hele cirkel die ons omsluit!
Maak dus eerst onze liefde weer heel
Maar wel nu, voor je jouw deuren sluit'
|
|