Galerie Het Blauwe Venster
|
|
Onbevlekt ontvangen berichten
|
|||
| de directe, nog niet bijgeschaafde teksten | ||||
|
Guido Utermark en Freek Lomme |
||||
|
Start: Freek
Klinker naast klinker, geslagen onder douw. Bling blinkt over zijn harde korps. Gezet legt het zijn onderkoelde, wezenloze contour; languit. Het is een rechthoek. Het is een klinker. Hij biedt zijn korps. Het staat geschreven op straat, door koude bekrood met blinkende doornen.Zo ligt de koude op straat. Spontaan in keus: hij was, fel van aard, niet te verwurmen tot schuldbelijdenis; de ketter. Frivool: slepend, intuïtief….leuk. De last laat hij achter. De wolken zo licht en doorschijnend. Hij vervalt in zijn val. Hoe langer hij valt hoe dichterbij hij komt. De echo volgt zijn val. Hij werpt nog een hysterische blik over het postkerstkaartlandschap. Dan volgt er een energieke controle terwijl hij net druk aan het werk is. De werkdruk verlaat hem langzaam terwijl hij zijn dagelijkse productie naleest. Het lukt toch iedere dag weer om symbolen te gebruiken. Symboolblindheid is hem vreemd. Krijtpijlen wijzen hem de weg. Hij zal nooit verdwalen omdat de weg altijd de weg is. TAO. Hij spreekt in gedachte over zijn graancirkelbestaan. Niets mysterieus maar dagelijks overal waar te nemen. Hij verviel in zijn val. Hij wist van de opstaande klinker onderwijl zijn neergang. Predestinatie, ook wel. TAO, voor wie wil. Zien, voor hem. Het vermoeden van datgene ontwaarde hij, ondanks het blikveld, te laat. De klinkers zijn hem bekend, hun gevaren zijn benoemd, door hem en door velen met hem. Ondanks dat is er die slopende gang. Ondanks dat slaat hij, o zo spontaan, zijn richting in. Nu lijkt al weer van gisteren: ´ja dahag´. Straks is hij hier weg: een uitdovende afbeelding op ons netvlies. De tweede en de derde persoon keken. Ze gingen. Hen was geen tijd gegund. De eerste de beste werd zijn toekomst gegeven. ´4`
|
||||
|
(tekeningen: Peter Bremer, René Brouns, Fred van Duijnhoven, Harmjan Roeles) |
||||
|
Deel 2: Start: Guido Vervolg: Freek
Het ritueel Goedenmorgen Drijfijs in paradijs Rozerood streept het ochtendlicht Een kind jengelt om jinglebell De wolk die mij bracht De zon vreet aan zo geel, zo goor kledingcode; de regenjas men spreekt af als Hemelse lichamen
Op toerbeurt Wanner uitzicht op aangedaan De formaliteit huist in de hoogte Einde Een nieuw begin. Een vrouw met een rode sjaal twijfelt of ze naast me zal gaan zitten. In een beweging besluit ze het niet te doen. Eertijds droomde hij van koek en ei. Eerst ei wel te verstaan. Op brood welteverstaan; vanzelfsprekend met boter en een snufje reguliere specerijen (peper en zout). Daarna, zo droomde hij, zou hij het pak aanbreken waarop ‘country cookies’ vermeld staat. Dit zou hij niet lezen maar weten, immers, hij had het pak zelf aangeschaft bij de lokale buurtsuper welke hij visiteerde na bezoek aan zijn tante. Zijn tante woont bij hem om de hoek en dan, vervolgens, zo’n drie kilometer verderop, rechtdoor over de enige weg die richting zijn tante leidt; de weg waar zij aan woont, de weg bij hem om de hoek. Dit echter was, zo zou hij zich des ochtends herinneren, larie; hij gaat naar de buurtsuper, maar tante woont niet drie kilometer, maar 500 meter die straat in. De hoek was ongewoon scherp, ondanks het feit dat deze hoek hem al sedert zijn jeugdjaren bekend was. Het pleintje, net voor de hoek; het pleintje waar hij aan woont, is het pleintje waar hij is opgegroeid. Hij woont in het huis van zijn ouders, zijn ouderlijk huis, zij het op een enkele etage, te weten de begane grond. De rest behoeft hij niet. Hij verhuurt de eerste en tweede etage en, ondanks het feit dat de tweede etage geen eigen sanitair bezit, verhuurt hij deze apart. Dit is eveneens larie: hij verhuurt de eerste en tweede etage aan één en de zelfde persoon (dit is hij des ochtends vergeten). De huurprijs voor de eerste etage alleen al is voldoende om hem driemaal daags een uitgebreide Russische schotel te verschaffen. Desalniettemin neemt hij zijn ei graag enkel op brood met een laagje boter. Over kosten hoeft hij zich ook geen zorgen te maken. Hij kan uitgebreider beleggen, maar doet dat niet. Vandaar dan ook dat hij geen schuldgevoel overhoud aan zijn bezoek aan de dure buurtsuper. De buurtsuper is immers een kleine zaak, en gaat ter nauwer nood niet onder in de concurrentie met de mega buiten de stad, met ruime parkeergelegenheid. De buurtsuper behoeft geen parkeergelegenheid: haar klandizie komt niet gemotoriseerd. Zelf neemt hij altijd een plastieken tas mee, zo één die er altijd wel ergens ligt en die men krijgt bij overige boodschappen wanneer men toevallig geen plastieken tas bij zich heeft. In werkelijkheid heeft hij geen plastieken tassen: dit vind hij ‘slecht voor het milieu’, en heeft hij een, op het zicht, kleine stoffen tas met kleine binnenzak voor bijvoorbeeld portemonnee (hij doet hier spaarkaarten in: altijd bij-de-hand). De dag tevoren had hij in zijn plastieken tas, licht watertandend, een pak country cookies, een fles grenadinesiroop en, tot slot, een op de valreep aangekochte Bounty. Mmm, en een fles Fernades voor het tropische gevoel.
|
||||
|
(tekeningen: Peter Bremer, René Brouns, Fred van Duijnhoven, Harmjan Roeles) |
||||
|
|
||||
|
||||
|
|
||||
|
|
Belangstelling ? Bel 024/ 3562225
of E-mail: info@hetblauwevenster.nl |