Galerie Het Blauwe Venster


Onbevlekt ontvangen berichten
Schrijversperformance 29dec 2005

home
de directe, nog niet bijgeschaafde teksten

Daniël Bras en Ruud Linssen

Start: Ruud
Vervolg Daniël

De tranen van Laura

Op dertienjarige leeftijd moest ik een fragment voorlezen uit het boek, dat elke ochtend voor ons op tafel werd gelegd. Helaas las ik het achterstevoren, waardoor ik met onmiddellijke ingang van school werd gestuurd.
Aangezien mijn broer, twee jaren eerder, hetzelfde was overkomen, zag men mijn vergissing aan voor kritiek op zowel het schoolbeleid als op het beleid van het gemeentebestuur.

Sinds mijn broer, uit angst voor represailles, naar het buitenland was gestuurd, stond zijn naam op de muur van mijn vaders slaapkamer. Wanneer hij niet kon slapen aaide hij met zijn toch al broze vingers over de letters. Dan kwam mijn moeder aangerend, suste ze hem en wreef ze met de mouw van haar jurk de naam van de muur. Waarna mijn vader naar het huis van zijn oom vluchtte en, met het snot nog aan zijn neus, in de woonkamer in een slaapzak in slaap viel.

De volgende dag werd ik door mijn ouders op reis gezet. Na zevenendertig dagen stapte ik uit de trein en merkte, dat mijn broer niet op het perron op mij stond te wachten.
De eerste nacht sliep ik op het busstation. De eerstvolgende nacht in een geparkeerde auto. De daaropvolgende nachten sliep ik niet, maar liep ik rond op zoek naar de naam van mijn broer die tussen de naambordjes naast de deuren zou moeten staan.
Dit was dus het buitenland. Koud, snijdende wind, eenzaam. Een vreemde taal die ik niet begreep. Je kon er niets mee aanvangen, met het buitenland. Maar ik moest hier zijn want ik was door mijn ouders op reis gezet en ik wilde mijn broer zien, hem omhelzen zoals je een oudere broer omhelst, bijna bang dat hij niet in je armen past.
Maar vooralsnog was ik alleen. Ik merkte dat ik dezelfde routes begon te lopen, tussen het treinstation, de auto die alsmaar geparkeerd bleef staan, en dezelfde naambordjes langs dezelfde deuren.
Op de zesde dag van mijn verblijf in het buitenland, sprak een vrouw me aan. Ze heette Laura, vertelde ze in mijn eigen taal. Ze had me al diverse keren voor haar raam voorbij zien komen. ‘Zoek je iets?’ vroeg ze op een toon die het midden hield tussen spontaniteit en argwaan.
‘Ja. Ik ben op zoek naar mijn broer die hier in het buitenland woont.’
‘Hoe ziet hij er uit, als ik vragen mag?’
‘Exact hetzelfde.’
‘Jullie zijn een eeneiige tweeling?’
‘Nee, we zijn broers.’
Laura werd zichtbaar geamuseerd door het gesprek, zag ik in haar ogen. ‘Ik heb nog nooit een kopie van jou gezien in deze stad. Zo’n jongen zou ik zeker onthouden hebben.’
‘Maar hij moet hier wonen’ riep ik, en hoorde tot mijn eigen verwondering paniek in mijn stem. ‘Hij zou op het perron op me wachten.’
‘Misschien stond je op het verkeerde perron.’
‘Lopen alle treinen niet over hetzelfde spoor?’
Ze keek hem bijna ongelovig aan en zei: ‘Als je vanuit hier drie uren met de trein reist, uitstapt, het station achter je laat en de eerstvolgende straat uitloopt, kom je uiteindelijk terecht bij een spoor, dat nergens meer naar toe loopt. Bedoel je zo’n spoor?’

Welk spoor?
Ik vergeleek het spoor, waarover ik was gekomen, met het idee van haar spoor, dat nergens in verdwijnt. Ik was dan wel ergens aangekomen, maar in feite was dit ergens zo vreemd dat het net zo goed nergens zou kunnen zijn. Zo vreemd, dat ik net zo goed gewoon thuis zou kunnen zijn. Misschien was ik thuis, maar had men alles en iedereen ingewisseld met dit. Had men de zomer ingewisseld voor de winter, het zand voor hard bevroren stenen?
Misschien had men iedereen verplaatst, behalve mij en moest ik door deze kou heen bijten om uiteindelijk de gezichten van mijn vader en moeder weer te kunnen zien.
Maar wat als de koude nu zo ondoordringbaar als een muur zou zijn, zoals voor mijn opa toen hij namens het buitenland voor het buitenland vocht? Wat als ik mijn vader en moeder nooit meer zou zien, zoals mijn opa nooit meer iemand heeft teruggezien?
Nee, nee, dit was de verkeerde route in mijn gedachten; een oude weg die ik al zo vaak had bewandeld en die me oneindig ver van huis had gebracht. Verder dan de meeste mensen zijn geweest. Ik moest terug naar de plaats waar ik was want dit was nu eenmaal de werkelijkheid: een plek waar mijn broer was zonder dat ik hem kon vinden.
En voor mijn neus: Laura, een vrouw die met een warme belangstelling in haar blik wachtte op mijn antwoord.
‘Ik weet het niet meer, welk spoor’, zei ik moedeloos.
‘Kom mee naar ons huis, dan krijg je wat te eten van mij.’
‘Ik weet niet of ik dat wel wil. Wie bent u eigenlijk?’
‘Ik heet Laura.’
‘Maar wie bent u dan?!’
‘Gewoon een vrouw zoals zovele vrouwen. Kom met mee, het zal je geen kwaad doen. Je hebt nog een heel leven voor je om naar je broer te zoeken.’
Als ik er aan terugdenk, voel ik nog hoe mijn schouders naar beneden zakten op dat moment. De overgave aan wat je zal overkomen.
Nadat ze de voordeur van haar huis had opengemaakt, riep ze door de gang in de richting van de woonkamer: ‘Peter!! We hebben bezoek.’
Geen reactie kwam terug. Laura liep voor me uit door de woonkamer, naar de keuken die erachter was gelegen. Ik werd nerveus, omdat ik niet wist wat zich hier zou aandienen en omdat mijn oog viel op haar billen in de broek. Ze waren trots.
‘Ja, verdomme,’ hoorde ik halfluid vanuit de keuken. Een mannenstem.

Ondanks de paar dagen, die ik, bijna zwijgend, in dit land had doorgebracht, was dit woord me al zovaak toegeroepen dat ik direct begreep dat ‘verdomme’ zeker geen koosnaampje was.

Door zo luidruchtig mogelijk aan de deurknop van de keukendeur te morrelen, probeerde Laura de boertigheid van haar echtgenoot enigszins te verdoezelen. ‘Let maar niet op zijn woorden, zei ze, let op wat hij achter die woorden zegt.’

Ik dacht aan mijn vader, die ook altijd achter zijn woorden zoveel zei, dat de betekenis ervan me meestal ontging. En wanneer mijn vader eens niets zei, viel mijn moeder voor hem in. Het was bij ons thuis nooit echt stil. Zeker na de onvrijwillige verhuizing van mijn broer, raakte mijn vader niet uitgepraat over hem. Maar elke herinnering aan mijn broer maakte me meer en meer duidelijk, dat het verdriet van mijn vader zo groot was dat er voor mij geen plaats meer was in zijn hoofd.

Toen ik achter haar de keuken binnenliep, verdween Peter door de deur naar buiten. De sjaal, die hij rond zijn nek had hangen, wapperde in de wind.

Nadat Laura mij een stoel had aangeboden, liep zij hem achterna. Ik stond op, keek door het raam naar buiten en zag hoe Laura op haar tenen achter haar echtgenoot aan rende.

Ik trok mijn jas uit, legde het over de leuning van de stoel, liep naar de koelkast en haalde een blikje kattenvoer tevoorschijn.

Op advies van mijn huisbaas had ik in mijn vorige woning een kat genomen, maar ik kon me er niet van weerhouden om regelmatig ook zelf van het lekkers te snoepen.

Ik stopte het blik in mijn jas: Laura kwam terug vanuit de tuin en speelde met overtuiging dat er niets aan de hand was. Vervolgens heeft ze me urenlang vertroeteld. Ik kan het me nog herinneren tot de dag van vandaag hoe ze met zoveel plezier boterhammen voor me smeerde, dat ze boeken voor me van boven naar beneden haalde, dat ze een fles wijn uit de kelder voor me opende. En dat ze vooral zoveel aandacht voor me had, met haar open vragen, over mijn broer, over mijn vader, met haar opmerkingen over mijn uiterlijk, dat ik zo’n mooie jongen was.
Aan het eind van de avond kwam Peter terug. Hij sprak even met Laura in de keuken, en wendde zich daarna tot mij en bood zijn verontschuldigen aan voor zijn ongastvrije gedrag. ‘Blijf vannacht maar bij ons slapen.’ En dat deed ik, op de bank in de woonkamer. Terwijl ik naar het plafond staarde, realiseerde ik me dat de werkelijkheid steeds omvangrijker werd, dat het leven langzaam overeind kwam. Mijn leven. Ik zou een volgende keer weer het boek achterste voren lezen. Maar nu met overtuiging en dictie. Misschien was dat wel zoiets als geluk.
Maar wat me van die hele geschiedenis het meest is bijgebleven, was Laura die midden in de nacht, toen ik eindelijk in slaap dommelde, naar beneden kwam en zich tegen me aan vleide op de bank. Haar gezicht tegen mijn gezicht, zodat ik haar tranen over mijn wangen voelde lopen. Ze zei niets, maar ik wist wat ze bedoelde. Wij beiden hadden er geen woorden voor.
En mijn broer? De volgende dag stond hij op het perron te wachten. Hij of ik, iemand in elk geval, had zich een week vergist. Ik had mijn evenbeeld teruggevonden.


(tekeningen: Peter Bremer, René Brouns, Fred van Duijnhoven, Harmjan Roeles)



Deel 2:
Start: Daniël
Vervolg: Ruud


Laura staat aan het raam van haar huis, ze tuurt naar de jongen die zojuist uit de verhuiswagen is gestapt. Een vreemde jongen, althans dat vindt zij. Een spits gezicht met een paar ogen dat niet op z´n plaats lijkt. De halflange, vettige haren. Tegelijk heeft hij een smetteloos pak aan, donkerblauw, grijze streep, zijn schoenen glimmen in het zonlicht van december.
Tot haar schrik ziet Laura dat de jongen zich met een ruk naar het raam draait, omdat hij kennelijk haar schaduw achter het glasgordijn heeft opgemerkt. Met een blos op haar wangen draait ze zich om en loopt naar de keuken. Laura is een vrouw die niet op haar nieuwsgierigheid betrapt wil worden. Nonchalance, rust en evenwicht, dat is wat ze wil uitstralen naar de wereld. Als ze knielt op de vloer om verder te gaan met boenen, ergert ze zich over haar eigen gedrag. Ze haat mensen die aan het raam staan te koekeloeren naar wat er op straat zoal gebeurt op een dag.
De pijnlijke zelfreflectie gaat samen met haar toenemende woede over deze vloer waarvoor je moet knielen om de tegels schoon te krijgen. Het zijn tegels die eigenlijk bedoeld zijn voor de douchecabine. Het antislib maakt dat het stof zich er met gretigheid aan hecht.
Peter had nog gezegd dat er niets mee aan de hand was, met deze tegels. En de verkoper in de bouwmarkt had dat met stelligheid bevestigd.

Ze luisterde naar het rommelen in de kast van Peter, die, ondanks zijn pijnlijke knieën, beloofd had de drie lage kasten in de keuken leeg te halen. Ze wist uit ervaring, dat ze op dit soort momenten geen gesprek moest aangaan. Elke kleine woordenwisseling zou bij hem vragen oproepen, die zij dan weer zou moeten beantwoorden. Ze liet de slenterende jongen buiten voor wie hij was en besloot haar ploeterende echtgenoot niet van hem te vertellen. Voorlopig althans. Zolang elke woning keurig zijn eigen deuren op slot hield en niemand een ander zou storen, kon het leven in deze buitenwijk precies volgens de verwachtingen van elke bewoner verlopen.

De natte rand van haar schort botste tegen de witte hals van Peter, die, op dat moment, juist vanonder het keukenblok vandaan kwam. Hij keek haar met een verontwaardigde blik aan, waardoor haar woede over de keukenvloer nu pas goed ontstak.
Ze zeiden niets.
Hij liep naar de schuur in de tuin. Zij gaf de keukenvloer op.
Laura wilde weg uit dit huis, weg, weg. Nu meteen. Ze rukte de schort van zich af en liep naar boven om het zweet van de vloer van zich af te wassen. Terwijl ze in de badkamer voor de wastafel stond, viel haar blik op, ja wat eigenlijk. Zichzelf. Op haar krullende blonde haren, haar bolle wangen, de lange wimpers. Hmm, dacht ze terwijl een bijna ondeugende glimlach zich op haar gezicht aftekende, ik ben een mooie vrouw.
Toen ze beneden Peter in de woonkamer voorbij zag komen, stelde ze tot haar genoegen vast dat de woede was verdwenen. Met een zekere minzaamheid, die hij nooit in haar stem zou herkennen, zei ze, ik ga naar de stad, ik wil nieuwe kleren.
´Tot straks´ was zijn enige antwoord.

Met haar fiets op straat aangekomen speurde ze naar de jongen maar de straat was leeg zoals alleen straten in buitenwijken leeg kunnen zijn met hun keurige aangelegde voortuinen en de levenloze steen van de nieuwbouw. Maar Laura was tevreden met haar huis, ze hield van orde en overzicht. Je had nooit rotzooi hier.
Maar die jongen, met zijn vreemde lange vingers, waarmee hij door zijn haren had gewreven. Iets van zijn argeloosheid had haar geheugen op scherp gezet. Niet dat hij haar aan iemand deed denken. Integendeel. Toch had de jongen een vertrouwdheid, die haar bijna terug bracht naar iets in haar dat zij lang geleden op slot had gedaan. Misschien was het de mogelijkheid om op een dag zomaar ergens binnen te komen lopen en dit voor waar aan te nemen.
Ze hing met haar buik over de bagagedrager van haar fiets en keek naar de tas, die ze nog op de grond had staan. Ze pakte het op en ging op haar fiets zitten. ‘Wegrijden’, dacht ze. ‘Zomaar de straat uit, langs de lange rij leegstaande garages, langs de hoge toren van de kerk, de kade. Doortrappen en pas stil gaan staan zodra ik merk, dat mijn voeten pijn gaan doen.’

Naast de vrachtwagen stonden twee slungelige jongens een boterham te eten. Zodra ze hen was gepasseerd keek ze naar het laadruim. Het stond propvol met meubilair en dozen, wat onmogelijk alleen voor die jongen kon zijn.

Terwijl ze verder fietste, begon ze zich te realiseren dat een ongekende fascinatie zich ontwikkelde in haar hoofd. Voor een jongen, een tiener, die vandaag in haar leven was gekomen. Het was niet meer dan een kort beeld geweest achter het raam van haar huis, zonder woorden, maar met zoveel kracht dat het haar zinnen prikkelde. Plotseling drong het tot haar door wat een uitgestrekte saaiheid zich van haar leven had meester gemaakt. Natuurlijk, ze had het al vaker voelen tintelen, dat verdorde landschap in haar binnenste, maar nu was het alsof het zich opende vanachter een berg. Daar lag het dan: haar leven. Niets dan wat kleinigheden die soms opstoven in de leegte. Ze fietste, harder en harder trapte ze om de zwarte gedachten te verdrijven, zodat de jongen de ruimte in haar hoofd kon terugkrijgen.
Een fantasie ontstond, dat ze hem tegen zou komen op straat en een gesprek met hem zou aanknopen. Dat zijn ogen een zekere radeloosheid verraden, dat hij verdwaald was, zoiets, verdwaald in het leven en dat zij hem zou moeten redden, al was het dan maar voor even. Dat ze hem mee naar huis zou nemen en hem zou verzorgen, vertroetelen, dat hij het kind was waarvan zij langzaam wist dat ze het nooit zou krijgen. Ze was 44, haar lichaam had de grens van de vruchtbaarheid bereikt. Haar besluit om geen kind te krijgen was eigenlijk nooit een besluit geweest: het had zich mettertijd voltrokken. Als een geschiedenis die eigen beslissingen nam.
Maar nu had ze een zoon. Ja een zoon wiens identiteit langzaam begon op te staan. Zijn eigen meningen, zijn eigen gedachten maar er was ook een probleem met deze jongen. Psychisch. Ze had hem al tweemaal voor langere tijd aan de artsen moeten afstaan. En maar eenmaal terug gekregen. Dit zou de tweede, definitieve keer moeten zijn. De goede afloop.

Plotseling trapte ze op de rem. Haar blonde krullen draaiden zich om. Een seconde later deed zij met de rest van haar lichaam hetzelfde. ‘Als er een goede afloop zou moeten komen, dan vandaag. Dan direct.’
Ze fietste terug. Toen ze in haar straat aankwam, zag ze dat de vrachtwagen was verdwenen. De kartonnen dozen stonden onaangeroerd op straat. Terwijl ze haar woning passeerde, flitste even de mogelijkheid door haar hoofd Peter te vragen deze dozen voor hem naar binnen te dragen. Maar zodra ze de woning was gepasseerd, had ze deze mogelijkheid alweer afgewezen. Ze stopte, legde de fiets voorzichtig tegen de heg van zijn tuin en keek door de openstaande deur naar binnen. Ze zag niets. Ze wilde het tuinpad oplopen en naar de deur lopen, toen ze achter haar rug ‘sorry’ hoorde roepen. Ze draaide zich om en keek naar de jongen, die op zijn hurken achter haar zat. Terwijl ze opzij stapte, stond hij op, rekte zich uit en liep zonder iets te zeggen zijn nieuwe woning binnen.

Laura stond er nog. Hoewel ze nieuwsgierig was, was ze ook voorzichtig. Ze zag, dat de jongen door het raam naar haar stond te kijken. Zijn vettige haren hingen tegen de gordijnen, die hij met zijn handen openhield.

Zonder geluid te maken, riep ze hem toe: ‘Je dozen.’
Hij liet de gordijnen los.

Ze dacht: ‘Deze geboorte mag niet te lang duren. Peter zou ongetwijfeld ongerust worden en naar haar gaan zoeken.’

Daarom .



Zijn gekrijs ontlokte bij haar een stilte, die, alleen nadat hij haar gezicht onder de kraan had gehouden,verbroken werd met het woord ´kijk´. Peter keek, uiteraard, maar


(tekeningen: Peter Bremer, René Brouns, Fred van Duijnhoven, Harmjan Roeles)

Onbevlekt ontvangen teksten: www.onbevlektontvangenteksten.web-log.nl

Belangstelling ? Bel 024/ 3562225
of E-mail: info@hetblauwevenster.nl
home