Bij mijn weten is het wandelvirus voor het eerst beschreven in Op Pad van april/mei 2002. Kees Lucassen noemt het daar het Op Pad-virus, maar dat is net zoiets als de Hong Kong-griep. Duidelijk is echter wel dat Op Pad-lezers een sterk verhoogd risico hebben!
Het virus is, aldus Dr. Lukassen, het beste te herkennen aan rode konen en pretoogjes. Hoe de besmetting plaatsvindt is niet geheel duidelijk. Volgens Prof. Lucassen, die toegeeft dat de geleerden er nog niet uit zijn, begint het doorgaans met de aanschaf van een simpel tentje, gevolgd door een trektocht.
Eigenlijk is het mijn schuld niet, maar de schuld van de krantenbezorger. Om precies te zijn, de reclamebezorger die, dwars door een "ja/nee-sticker" heen, een stapel ongeadresseerd reclamedrukwerk in onze brievenbus stopte. Daar zat een folder bij van de plaatselijke sportwinkel, die een schattig klein tentje in de aanbieding had. Het was maart 2002.
Ik had het daarbij moeten laten. Ik had de volgende dag niet moeten gaan kijken. Maar dat deed ik toch. Ik liet het ding op de vloer uitrollen, trok hem wat omhoog, schatte hoe ik er zo'n beetje in zou kunnen liggen, en voelde het virus opvlammen.
Het was nooit helemaal weggeweest. Tig jaar geleden, met m'n ouders, in Zwitserland... op m'n achttiende, met I. en W. de Tour de Mont Blanc gelopen... met M. in de Cantal en de Savoie... gewoon kleine stukjes in Nederland... met de kinderen toen ze wandelen nog leuk vonden... het virus was nooit weggeweest.
"Ik neem hem," zei ik.
Thuis zette ik hem op, op de paar A4-tjes die wij weids aanduiden als ons grasveld.
"En daar ga je in slapen?"
"Dat gaan we proberen."
"Wanneer ga je weg?"
"Zo gauw mogelijk."
"Waar ga je naar toe?"
"Dat weet ik nog niet."
Het werd Texel. Ik had eigenlijk al veel eerder een paar dagen weg gewild, vanaf november. Ik had een zware tijd gehad op m'n werk en met een studie. Maar het werd april voordat ik me los kon weken, en mei voordat het weer enigszins redelijk werd.
De eerste keer was geen dramatisch succes. Ik vertrok op zaterdag, werd zondag in de stromende regen wakker, en was 's middags weer thuis.
Dinsdag was het weer veel beter, en schoof M. me de bus in, en belde daarna V. (m'n chef) dat ze dat gedaan had. En daarna liep ik drie dagen genoeglijk op Texel rond.
Un jour de marche, c'est huit jours de santé."
(Motto van de Fédération Française de Randonnée Pedestre)
Klopt. En nog wel meer ook. Ik merk dat ik op een wandeling van een paar dagen een paar maanden kan teren. Dat moet dan wel een mini-expeditie zijn, met minimaal één nacht kamperen. En dat dan zo primitief mogelijk. En dan ik er weer een tijdje tegen. Tegen m'n commissionairs, hoe aardig de meesten ook zijn, tegen de gestage stroom research, hoezeer ik die ook nodig heb, tegen de Bloomberg waar ik me elke dag meer aan vastketen, hoe erg ik ook onthand ben als het ding het een uur niet doet.
Maar laat ik dit betoog wat meer structuur geven.
Behalve de reeds genoemde rode konen en pretoogjes, zijn de volgende symptomen gebruikelijk:
Prof. Lucassen gaat in zijn dissertatie niet in op het besmettingsgevaar. Ik denk dat het besmettingsgevaar niet zeer groot is. Vooropgesteld zij echter dat dragers van het virus in het algemeen weinig tot geen moeite doen om te voorkomen dat zij hun omgeving besmetten. Zo laten zij zaken als schoenen, kampeeruitrusting en kaarten rustig rondslingeren. Er zijn gevallen bekend waarin een onbeheerd achtergelaten rugzak, door een nietsvermoedende persoon aangeprobeerd, tot het overspringen van het virus leidde.
De indruk bestaat echter dat voor besmetting een zekere mate van predispositie vereist is. Indien de pre-morbide persoonlijkheid zich onderscheidt door een voorkeur voor hotels of caravans, is weinig gevaar te duchten. Er kan mogelijk een kortstondige infectie in de late tienerjaren of de studietijd optreden, doch een daarna optredende verbetering van de financiële positie zal het virus de kop indrukken. (In dit geval is vermoedelijk geen sprake geweest van een echte besmetting. Het eigenlijke wandelvirus is vermoedelijk zelfs positief gecorreleerd met de financiële positie van de patiënt.)
Goeie vraag. Waarom vindt iemand het leuk om een dag te doen over een stuk dat je met de bus in een uur aflegt, en met de auto in een halfuur? Mijn antwoord zou zijn: omdat je, op die manier, in een bullshit-vrije omgeving vertoeft. Je spant je best wel in, en als het goed is ben je aan het eind van de dag bekaf, maar het is onzin om het persé sneller te willen doen dan alle anderen. Je ziet best leuke dingen onderweg -hazen, fazanten- en je kunt eens blijven staan om echt goed te kijken. En je bent iets aan het doen wat alleen maar lukt als je in een kalm doch gestaag tempo het helemaal zelf doet.
Voor mijn laatste verjaardag kreeg ik van mijn collega's het volgende gedicht, dat eigenlijk heel goed weergeeft waar het nou om gaat:
Martin aan de wandel
Hij wil luisteren naar de stilte,
Of er nog iets leeft.
Waar het geluid van een vlinder
Een donderslag geeft.
Hij wil luisteren naar de stilte,
Om uit te rusten van het drukke leven,
En die rust kan alleen de stilte geven.
Mooi gezegd, en erg aardig dat ze het hebben opgemerkt en zo onder woorden hebben gebracht!