Eeuwenlang was een deel van de Nederlandse bevolking
betrokken bij de veenderij. Turf was gedurende eeuwen een belangrijke
bron van bestaan, brandstof voor eigen gebruik later toen de vraag toenam,
het exploiteren hiervan. In de door mij onderzochte kwartierstaten komen
veenboeren, slagturvers en turfmakers voor. De ene tak in Zuid Holland
een andere tak in de kop van Overijssel en aangrenzend Friesland. Dit
was voor mij de aanleiding om informatie te verzamelen over turf d.m.v
het lezen van boeken, een bezoek aan het veenmuseum te Vinkeveen en
verschillende internet pagina's.
Door samenvoeging van de gegevens kreeg ik meer inzicht over de beroepen
in de veenderij en de leefomstandigheden van de betreffende voorouders.
Mijn dank aan ieder die informatie beschikbaar heeft gesteld.
Vorming van veen.
De ontginning.
Turf als brandstof.
Turfwinning.
Gevolgen van
de veenderij.
|
Pieter Cornelis Stolck
bouwman en vervener
te Wollefoppen (Ommoorden) onder Hillegersberg
|
Voorheen viel Ommoorden onder Hillegersberg. Sinds 1941 valt door de
annexatie van Hillegersberg Ommoord en dus ook Wollefoppen onder de
gemeente Rotterdam.
In circa 1420 was Ommoorden verdeeld in:
Ommoordenwesthoefslag groot 401 morgen
Ommoordenoosthoefslag groot 396 morgen
Wollefoppenhoefslag groot 150 morgen
Hierin lagen de twee plassen; het IJselremeer, vermeld sedert 1281 en
het Baersmeer, vermeld sedert 1411. Het eerste was voor driekwart leenroerig
aan de hofstad Capelle, voor het overige aan de hofstad Honingen, evenals
het Baersmeer.
In deze maar ook in de omliggende polders was het hoofdmiddel van bestaan
in 1730 de turfwinning. Het gebied was gunstig gelegen aan de Rotte,
waar de turf per boot werd afgevoerd naar de stad Rotterdam. Voor het
vervenen moest octrooi aangevraagd worden en per verveende roe (veenmaat
14,19 m2) moest 1 stuiver belasting betaald worden.
1740 de grijze delen geven de verveningen
aan
|
Pieter Cornelis Stolck alias Stollick werd geboren circa 1550 en
overleed voor 23 november 1610, circa 1580 trouwde hij met Commertge
Cornelis (Cater).
Het Repertorium op de lenen van Honingen vermeldt in 1592, dat Pieter
Cornelis na overdracht door Commer Philips een leen van 3 morgen,
ongeveer 2,5 ha verkrijgt te Ommoorden in den "laegen Keencamp",
hoefslag Wollefoppen aan het IJsselmeer.
De naam Stolck of Stollick duidt erop dat de familie van oorsprong
afkomstig is uit Stolwijk.
Als Pieter Cornelis Stolck in 1610 overlijdt gaat het leen over op
zijn ongeveer 30-jarige zoon Cornelis Pietersz. Stollick de 11 jaar
oudere broer van Sijmon Pieters. Blijkens een
akte uit 1622 zijn beide broers de buren van Cornelis Adryaensz Goetkint,
wonende in Wollefoppen en zijn vrouw Sijtgen Sebastiaensdr. Blijkbaar
konden er twee gezinnen leven van de verkoop van boter en turf. De
beide broers bezaten of hadden vermoedelijk nog meer land in pacht.
Nadat het genoemde leen na 100 jaar in de familie Stolck geweest was,
moest Neeltje Pietersdr Stolck (kleindochter van Cornelis Pieters
Stolck, dus achter kleindochter van Pieter Cornelis Stolck) het leen
noodgedwongen overdragen.
|
Datum
05-02-1692:
Jan Pietersz. Hillebrands, na overdracht door Adriaen van der
Wolf,
secretaris van Hillegersberg, als curator van de geabandonneerde
boedel van Neeltie Pieters Stolk.
OV 1962
|
De zoon van Sijmon Pieters Stolck, Pieter Sijmonsz Stolck, trouwt op
3 november 1641 met Maritge Bonifaes dochter van Bonefaes Jansz. afkomstig
van Schiebroek. Pieter Sijmons vertrekt uit de hoefslag Wollefoppen
en vestigt zich in het ambacht Schiebroek als bouwman.
De polder Schiebroek, zo'n 5 meter beneden n.a.p., ligt tussen Hillegersberg
en Overschie en ook in deze polder werd aan turfwinning gedaan. Het
gevolg plasvorming zodat in 1772 werd besloten om 570 ha. droog te maken.
Schoonvader Bonefaes Jansz hield zich ook bezig met turf baggeren blijkens
een overeenkomst tussen hem en mr. Anthonis Willemsz.
|
Datum
23-04-1630
Bonefaes Jansz, wonende in Schiebroeck bevestigt overeengekomen
te zijn met mr. Anthonis Willemsz,
dat hij geen turf meer zal baggeren uit de sloten tussen zijn
land en dat van
mr. Anthonis Willemsz. Deze overeenkomst is gemaakt nadat mr.
Anthonis Willemsz had gedreigd met gerechtelijke stappen tegen
Bonefaes Jansz voor
de Hoogheemraden van Schielant.
ONA Rotterdam inv.nr.67 aktenr. 127
|
De nazaten van Pieter Sijmons Stolck o.a. kleinzoon Bonefaas (Beun)
Janz Stolck gedoopt op 17-12-1684 te Hillegersberg vertrok uit de
polder Schiebroek en vestigde zich als bouwman in de iets noordelijker
gelegen Schieveensepolder onder Overschie. In 1718-1719 wordt Beun
Janse Stolk vermeld als ambachtsbewaarder van Schieveen. Om voor deze
functie in aanmerking te komen moest men over eigen landerijen beschikken.
Hendrik Jans SIJMONS
turfmaker en veenbaas
te Tjalleberd (Ængwirden)
Hendrik Jans Sijmons geboren circa 1725 groeide op in
het Schoutambt Giethoorn, liggend in het noordwesten van Overijssel.
(Een waterrijk gebied, ontstaan door de veenderij).
Op 28-01-1750 trouwde Hendrik Jans te Giethoorn met Lummigje Berends
Otten, geboren te Kalenberg. In Kalenberg en omgeving (iets ten noord
westen van Giethoorn) waren ook veel veenderijen, ook zij groeide
dus op tussen de turven. Op 19 jarige leeftijd werkte zij als meid
in Duynsater kluft Schoutambt Giethoorn. Vele Gietersen moesten van
de turfwinning bestaan, daarnaast hadden zij ook inkomsten uit veeteelt,
riet snijden (december tot april) of uit eendenvangst en visserij.
 |
In de 2e helft van de 18e eeuw vertrokken veel families
uit Giethoorn naar Zevenwolden, zoals het zuidoostelijke deel
van Friesland werd genoemd en met name naar de grietenij Ængwirden.
Er kwam daar een eind aan het turfsteken en de Gietersen hadden
een ruime ervaring met slagturven.
Ook Hendrik Jans Simons vestigden zich met zijn gezin in de grietenij
Ængwirden als turfmaker en later als veenbaas.
Het aanmaken en het drogen van de turf werd gedaan door de turfmakers.
Zij waren tevens belast met het vervoerklaar maken en het laden
van de turf. De losse veenarbeiders deden het zware baggerwerk.
De banden met Giethoorn bleven sterk, want veelal huwde men met
een partner uit een Giethoornse familie, zoals o.a met Dam, Haxe,
Krikke, Krol, Kruis en Wuijte. |
Al op jonge leeftijd moesten de kinderen meehelpen, bijna vanzelfsprekend
traden zij in de voetsporen van hun vader en werden turfmakers. Ook
de vier zonen (Jan, Geert, Gerrit en Beerend) van Hendrik Jans werden
veenbaas en of turfmaker in de grietenij Ængwirden. En zo ook
veel van hun kinderen die niet allemaal in Ængwirden bleven. Zij
trokken naar de omliggende gemeenten Opsterland, Haskerland, Schoterland
of Weststellingwerf. Sommige ook naar nieuwe veenderijen zoals bijvoorbeeld
de omgeving van Lutten liggend in het Ambt Hardenberg.
Achter achterkleinzoon van Hendrik Jans Sijmons, Jacob Klazes Simons
geboren op 07-01-1852 te Katlijk, was de laatste turfmaker in de kwartierstaat
Simons. Hij overleed op 13-04-1916 te Eesveen op 64-jarige leeftijd.
Een tijdperk van meer dan vijf generaties turfmakers en veenbazen werd
afgesloten.
naar boven
Laagveen.
Zowel laagveen als hoogveen is veen, een grondsoort die bestaat
uit niet geheel vergane plantenresten. Als veen maar lang genoeg en
ongestoord in de bodem blijft, gaat het inkolen. Afhankelijk van de
tijdsduur gaat de kleur van het veen over van lichtbruin via donkerbruin
naar zwart oftewel veen(turf) wordt bruinkool en daarna steenkool.
Als het veen zich vormt met behulp van grondwater, dan noemt men dit
laagveen, wordt het veen gevormd d.m.v. regenwater dan noemt men dit
hoogveen.
Het zuidwesten van Zuid-Holland werd vele duizenden jaren sterk
beïnvloed door het proces van zeespiegelstijging en -daling. Er ontstonden
duinen van zand door golven en zeestromingen waardoor een strandmeer
gevormd werd, waarvan het water door toevoer van rivierwater steeds
meer verzoette. Het meer ontwikkelde zich al gauw tot moeras met dikke
veenpakketten. In tijden van zeespiegelstijging sloegen diepe zeegeulen
het Hollandse land in, terwijl in tijden van zeespiegeldaling een
brakke binnenzee ontstond. Dit proces van stijging en daling van de
zeespiegel herhaalde zich meerdere malen, daarbij nieuw land vormend
of oud land wegslaand of bedekkend.
Het meer groeide langzaam dicht en door het toen heersende zachte
klimaat ontwikkelde zich een bos van elzen, berken, dennen en wilgen.
Maar onder invloed van een vochtiger klimaat zette de veenmosgroei
weer in en vormde zich op het moerasveen een laag veenmosveen.
| Vanaf ca. 500 na Chr. kreeg het veen
een aanzien van een waterrijk landschap met tal van plassen en
meren en natuurlijke waterlopen, terwijl de begroeiïng behalve
uit gras en riet ook uit bossen van elzen en waterwilgen bestond.
Bij vloed drong de zee via geulen en kreken diep het land binnen,
waardoor zand en klei in de geulen en op het ondergelopen veen
bezonk. Tussen de kreken bevonden zich "veenkussens". |
voorbeeld van een waterrijk landschap
|
Deze konden heel wat water absorberen. Op een gegeven moment raakten
ze vol, zodat het regenwater naar de rivier stroomde en zo een "veenstroom"
vormde, zoals de Rotte, de Leede en de Schie. Het grote laagveen bereikte
voor de inklinking een dikte van 2 tot 6 meter.
Hoogveen.
De Engbertsdijkvenen in Overijssel is een
hoogveengebied
|
Na de ijstijd verdween het landijs uit Nederland en de gletsjers lieten
een grillig landschap achter o.a. de Hondsrug. Het ijs had dalen uitgeschuurd
en een ondoorlatende laag keileem achtergelaten. In de laagtes vormde
regenwater meertjes, die langzaam aan dichtgroeiden met waterplanten.
De afgestorven plantenresten hoopten zich op tot (laag) veenlagen. Dit
veen was op een gegeven moment zelfs zo dik dat de bovenste plantenlaag
niet meer bij het voedselrijke grondwater kon komen. Hierop kon de veenmos
zich goed ontwikkelen daar zij alleen van de lucht en regenwater kon
leven.
 |
Een blaadje van een veenmossoort onder de microscoop
toont de netvormige structuur van het weefsel. De langgerekte
smalle cellen die veel bladgroenkorrels bevatten, vormen zeshoekige
cellen zonder levende inhoud, die als watercellen bekend staan.
Dankzij deze structuur, die ook in stengels te vinden is, fungeert
het mosweefsel als een reusachtige spons, die veel water kan opzuigen
en vasthouden. |
Veenmos groeit aan de bovenkant aan en sterft aan
de onderkant af. Het zijn planten zonder wortels en het kan in de
stengels en nerfloze blaadjes 10 tot 40 maal zijn eigen gewicht aan
water vasthouden. Door het waterabsorberend vermogen is de plant voor
de groei weinig afhankelijk van het grondwater. Doordat de plantjes
bovendien in dichte kussens groeien, wordt dat watervasthoudend vermogen
nog eens extra versterkt. Zo ontstaat als het ware een enorme levende
spons. Het afstervende veenmos verteert slecht in het zure en zuurstofarme
regenwater en hoopt zich dus op. Aan de bovenkant groeit deze laag
echter rustig verder, zodat deze hoogveenspons meters boven het oorspronkelijke
grondwaterpeil uitkomt. Hoogveen groeit aan met de 'snelheid' van
ongeveer een halve millimeter per jaar. Het duurt dus eeuwen en eeuwen
voordat een veenlaag dik genoeg is om te worden ontgonnen.
naar boven
Zuid-Holland
In eerste instantie werd het veengebied van Zuid-Holland vanaf de
strandwallen ontgonnen, later ook vanaf veenriviertjes als o.a. de
Schie en vanaf de klei- en kreekruggen. De eerste boerderijen werden
ca. 800 gebouwd, maar de echte ontginning vond plaats tussen 1000
en 1300.
Op de metersdikke veenlaag kon landbouw bedreven worden.
De graven gaven grote delen grond in leen uit aan de leenmannen die
van lagere adel waren. De uitgegeven stukken grond werden ambachten
of heerlijkheden genoemd. De leenman of ambachtsheer gaf de grond
weer uit aan kolonisten om de grond te ontwateren en te ontginnen.
De bevoegdheid om recht te spreken en belasting te innen delegeerde
de ambachtsheer aan de schout en schepenen die in bezit moesten zijn
van landerijen om voor die functie in aanmerking te komen.
De ontginning bestond uit het verwijderen van bomen, struikgewas en
afvoer van water. Eerst werd het terrein afgebrand en vervolgens verdeeld
in gelijke stukken van 30 roeden en daar tussen de sloten van 6 voorling
lang. De zogenaamde strook ontginningen: diepte in voorlingen, breedte
in roeden uitgedrukt. Een hoeve van 30 roe bij 6 voorling was de standaardmaat.
( 30 roeden = 113 meter en 6 voorling = ruim 1243 meter) De sloten
groef men recht op het afwateringskanaal en bij de rivier, die als
transportweg diende, werd de hofstede gebouwd. Geruime tijd na de
ontginning van het veen verschenen de eerste dijken. Aanvankelijk
verliep de afwatering zonder veel problemen doordat het veen boven
 |
het waterpeil van de
rivier lag. Door het onttrekken van water aan het veen verloor
het veen veel volume en begon ze te dalen. Uiteindelijk werd het
noodzakelijk om dijken aan te leggen en rond 1400 werd de windmolen
ontwikkeld, waarmee water op een hoger niveau kon worden gebracht.
In de zestiende en zeventiende eeuw werd de molenbemaling ingevoerd
en verschenen de eerste poldermolens. Het land bleef hiermee tot
op zekere hoogte droog. |
Boekweitverbouw op de hoogveen gebieden in Overijssel en Drente.
Boekweit is een product dat weinig eisen aan de grond stelt en werd
dan ook veel verbouwd op de bovenlaag van het hoogveen (bonkaarde
of bolster), die ongeschikt was als brandstof. Na de oppervlakte van
het veen enigszins losgehakt of losgeploegd te hebben stak men deze
bovenlaag in brand. De as die achter bleef zorgde voor een vruchtbare
ondergrond. De boekweitbranden veroorzaakte wel een enorme luchtverontreiniging.
Daarna werd de grond weer losgemaakt en kon de boer gaan zaaien.
Boekweit was enorm weersgevoelig waardoor oogsten toch vaak tegenvielen,
een enkele nachtvorst in de vroege zomer kon een totale misoogst tot
gevolg hebben.
Een boekweitveld heeft een lichtroze kleur en de bloemen zijn onder
andere bruikbaar voor honingproductie. Na een groeiperiode van 3 maanden
kon er geoogst worden.
De boekweitzaden hebben iets met granen gemeen, naast zetmeel bevatten
zij ook diverse waardevolle bestanddelen. Voor het bakken van brood
was boekweit niet geschikt, wel voor het maken van pap en pannenkoeken.
Het overschot werd gebruikt als veevoer voor de varkens. Aangezien
boekweit goedkoper was dan graan, werd de vraag naar boekweit groter
als de graanprijzen hoog lagen.
naar boven
Wanneer het veen voor het eerst als brandstof werd
gebruikt is niet bekend.
Wel weten we dat men al in de Romeinse tijd wist dat droog veen
als brandstof was te gebruiken. In de vroege Middeleeuwen was
turf, het gedroogde en in blokken gestoken veen, de belangrijkste
brandstof voor verwarming. Op kleine schaal werd het land vergraven
of gebaggerd bestemd voor eigen gebruik. Zo ontstonden er kleine
turfputjes of wat grotere petgaten, die langzaam weer dichtslibten.
Soms haalde men veen uit de sloten waardoor die plaatselijk erg
breed konden worden. |
|
Door toenemende bevolking en welvaart werd de vraag
naar turf in de Hollandse steden zo groot dat het voor boeren financieel
interessant begon te worden om op grote schaal te gaan vervenen. Het
land werd immers drassigger door inklinking. Gevolg minder voedsel
voor het vee, verlaging van de produktie dus minder inkomsten. Velen
werden naast hun boerenbedrijf ook slagturver of baggeraar. Het bruine
goud, zoals turf ook wel werd genoemd, was in toenemende mate ook
de brandstof van de steenbakkerijen. Het aantal steenbakkerijen nam
in de Middeleeuwen steeds toe. De brandgevaarlijke houten huizen werden
steeds vaker vervangen door bakstenen huizen. Bovendien werden steeds
meer kerken gebouwd met baksteen.
Ook de bierbrouwers in de steden maakten eeuwenlang gebruik van turf
als brandstof. Bier was een volksdrank, hoe slechter het drinkwater
hoe meer vraag naar deze licht alcoholische drank.
De veenderij werd het hoofdmiddel van bestaan in bijvoorbeeld de polders
van Ommoord, Berkel, het gebied rondom Pijnacker-Nootdorp en Vinkeveen,
waardoor de veenkussens snel slonken.
Kort na de Middeleeuwen (vanaf 1500) was er echter
al niet veel veen te delven aan de oppervlakte. Door de turfstekerij
ontstonden echter enorme waterplassen, zodat men overging op slagturven
of baggeren van veen. Eerst werden veengebieden dicht bij de (Hollandse)
steden vergraven. Toen het veen tot op de kleilaag - dus tot meters
onder de waterspiegel - was opgebaggerd, gingen de Hollandse steden
op zoek naar nieuwe veengebieden. Deze werden o.a. gevonden in
zuidoost Friesland en in noordwest Overijssel.
|
|
Het noordwesten van Overijssel.
In de kop van Overijssel ligt Giethoorn
gesticht omstreeks 1230. Het karakteristieke van het dorp is ontstaan
in de tijd van de turfgravers. Men groef vaarten en sloten om
de turf te vervoeren. Huizen werden op eilandjes gebouwd die alleen
via de typische bruggetjes te bereiken waren.
Door de turfafgraving ontstond een landschap afgewisseld van water
(de trek- of petgaten) en land (de legakkers of ribben). Doordat
men de legakkers ongecontroleerd smaller maakten, werden de trekgaten
breder. Met gevolg dat de legakkers bij storm en overstromingen
wegsloegen en zo ontstonden de meren rond Giethoorn.
Regelmatig vonden overstromingen en dijkdoorbraken plaats en menigmaal
moesten de bewoners met hun vee vluchten naar hoger |
|
gelegen gebieden. Twee grote overstromingen, die van 1776 en 1825 richtten
een spoor van vernielingen aan langs de kust van Overijssel. Het dorpje
Beulaecke verdween in de 1776 in de golven. Ook het dorp Blankenham
werd zwaar getroffen.
De laatste maal bezweek op zes plaatsen de zeedijk waardoor het dorp
Blankenham en het achtergelegen veen-en moerasland geheel blank kwam
te staan. De kolken achter de zeedijk zijn ontstaan door de dijkdoorbraken.
Om voor toekomstige rampen gewaarschuwd te zijn,
plaatste men tussen Vollenhoven en Kuinre een aantal kanonnen.
De bevolking in de omgeving van Giethoorn werd vanuit Blokzijl
gewaarschuwd, Kalenberg en omgeving door de twee kanonnen die
in Blankenham geplaatst waren.
De kanonniers dienden bij dreigend hoogwater de bevolking te waarschuwen
door eenmaal een schot af te vuren. Tweemaal betekende een mogelijke
dijkdoorbraak en driemaal was 'wegwezen'. De laatste keer dat
het kanon gebruikt werd, was in 1928 enkele jaren voordat de Zuiderzee
IJsselmeer werd (1932). |
Kanon te Blankenham op de toenmalige zeedijk
gericht op het achterland.
|
De ligging aan de Zuiderzee
maakte van Blokzijl een perfecte overslaghaven. De schepen vervoerden
de turf richting de Hollandse steden en op de terugreis namen
de schippers schelpen mee vanuit de Waddenzee. Op verschillende
plaatsen werden kalkovens gebouwd, dit schiep extra werkgelegenheid.
Er was brandstof (turf) genoeg en voor de aan en afvoer waren
de vaarwegen al aanwezig.
De schelpen werden met de turf verbrand tot kalk. Kalk werd gebruikt
in de bouw bij bereiding van metselspecie en ter verbetering van
de zure |
kalkovens te Meppel.
|
dalgrond. De kalkovens zijn allang buiten gebruik, enkele zijn gerestaureerd
o.a. in Meppel en Hasselt en iets verder landinwaarts in Dedemsvaart
zijn ze nog aanwezig.
De veenarbeiders In Overijssel woonden in eenvoudige huizen. Alleen
de voorgevel was opgetrokken uit baksteen en de andere zijden bestonden
uit houten planken, daar anders het huisje te zwaar werd voor de slappe
veengrond en zou verzakken. De dakbedekking bestond uit riet, dat volop
aanwezig was in dit waterrijk gebied. De ene helft van de woning was
bestemd voor de stal en de andere helft was de leefruimte. In deze ruimte
(geschat 15 m2) werd gekookt, gegeten en geslapen in de de bedstee.
Op de onderstaande foto, genomen in het Natuuractiviteitencentrum De
Weerribben, is zo'n veenarbeiderswoning te zien.
Het zuidoostelijke deel van Friesland.
De streek ten oosten van wat nu Heerenveen heet was aanvankelijk een
onherbergzaam veengebied.
Net zoals in Zuid-Holland werd het veen in het zuidoosten
van Friesland tijdens de middeleeuwen op kleine schaal ontgonnen
voor eigen gebruik. De uitgegraven turfputjes of petten groeiden
deels weer dicht en werd deels aangevuld met de bonkaarde (de
bovenste laag die niet bruikbaar was voor brandstof).
In de 16e eeuw kwam daar verandering in. Wegens de grote vraag
naar turf vooral vanuit de grote steden richtten enkele rijke
heren uit Friesland en Utrecht in 1551 de Veencompagnie op. Grote
veengebieden in Schoterland, Aengwirden en Opsterland werden opgekocht.
|
Munnikspetten onder Terband
|
Eerst werd het gebied ontwaterd door het graven van vaarten en wijken en deze
konden later dienen voor de afvoer van de turf. Toen het gebied gereed
was, kon de exploitatie van turf op grote schaal plaatsvinden. Hiervoor
was veel mankracht nodig.
De veenwerkers en hun gezinnen vestigden zich langs de veenkanalen en
zo ontstonden de lintdorpen. Het was een karig bestaan waarin hard gewerkt
moest worden door grote gezinnen. De behuizing varieerde van een houten
krot, een huisje gebouwd op een afgedankte bok (een lang aan beide kanten
puntig schip) of een plaggenhut. Kinderarbeid was heel gewoon. Al vanaf
hun twaalfde jaar moesten de kinderen met hun vader mee om te werken
in het veen. Ze moesten met een kruiwagen de turf naar de turfschepen
brengen. In het begin van de 19e eeuw verdiende een arbeider in Aengwirden
ca. fl. 0,70 tot fl. 0.80 per dag.
Het hoogtepunt van de vervening vond plaats tussen 1650 en 1750. In
de tweede helft van de 18e eeuw kwamen de verveners uit Giethoorn en
toen begon men het veen uit te baggeren met de beugel. Het opgebaggerde
veen werd in aan beide kanten puntige scheepjes geworpen en in die "bokken"
vervoerd naar de plek waar het verder werd toebereid. Er ontstonden
grote waterplassen, die niet meer dicht groeiden.
Van verschillende zijden werd op stopzetting of beperking van de vervening
aangedrongen. De Staten van Friesland wilden de voordelen, aan de turfgraverij
en turfhandel verbonden, niet prijsgeven en in 1767 werd, ondanks vele
bezwaren, besloten de veengraverij niet te beperken.
plaggenhut te Noordwolde
|
veenarbeidershuisjes
te Nijbeets
|
|
Een veenarbeidershuisje
met keuken en de woonkamer met de bedsteden.
Veenmuseum It Damshûs te Nijbeets
|
naar boven
Bij turfwinning kunnen twee technieken onderscheiden worden:
De eerste techniek is de winning van turf boven
de grondwaterspiegel, ook wel droge vervening of het delven van
turf genoemd.
Het veen wordt gestoken als "lange turf".
Turfgraven was een zwaar werk.
Hoogveen treft men in b.v. Drente en Noord Brabant aan. |
|
De tweede techniek betreft de winning onder de grondwaterspiegel,
de natte vervening. Dit gebeurde veelal met een baggerbeugel.
Het levert de harde, korte turf op.
Het was een zeer arbeidsintensief proces.
Laagveen treft men in b.v. noord/west Utrecht, Zuid-Holland, de
kop van Overijssel en Friesland aan. |
|
De droge vervening.
De hoogveengebieden werden ontwaterd door middel van een systeem van
greppels en sloten. Was het gebied voldoende ontwaterd dan konden de
kanaalgravers komen. Zij legden een systeem van wijken en kanalen aan
voor het vervoer van de turf.
 |
In 1658 verscheen zelfs een handleiding voor het
turfgraven van Martinus Schoockius onder de Latijnse titel Tractatus
de Turffis. Alle gereedschappen gebruikt door de veenarbeider
komen in dit in Latijns geschreven boekje aan bod. Schoockius
beschreef onder ander de turfkar, wadder of stikker, spade (=opschot,
oplegger)
en kaarzettersvork, gereedschappen die tot in de 20e eeuw werden
gebruikt. |
Het delven van turf.
Eerst werden de bovenliggende
zoden en een laag van de bovenste turf van circa 0,5 meter, de
zogenaamde bonk, verwijderd met de bonkschep.
De afgegraven bonk en plaggen werden afgevoerd en bewaard om deze
later te vermengen met de onder het veen liggende zandlaag. Zandgrond
vermengd met deze bovenste turf noemt men dalgrond, een grondsoort
die uitermate geschikt
was voor landbouw. De onder de bonk gelegen veenlagen werden vergraven
tot turf. Met de stikker, werd de turf in grote brokken gestoken.
|
1. veenafgraving foto Van Heijningen
Bosch
|
| De arbeider (afb. 1) met de stikker
stond bovenaan en maakte als het ware de vorm van de turf klaar.
Iets lager stond een turfgraver met een opschot of oplegger. Hij
stak de brokken turf los en legde ze op een slagkar (afb. 2).
De vol geladen slagkar werd naar een veldje gereden waar de turven
in een slag werden gezet. Waren de in een slag staande turven
droog genoeg, dan werden ze op zogenaamde |
2. slagkar
|
'dieken' gezet om na
tedrogen. De turven werden zo gestapeld dat de wind goed door
de turven kon blazen. Daarna als de turven droog genoeg waren,
werden ze in zogenaamde vuren en turfbulten gezet en waren de
turven klaar voor transport.
Een bult is een stapel turven opgebouwd uit 4 regels (rijen).
Met een "scheepskoare" werd de turf naar het schip gebracht.
|
3. de legakker
|
De natte vervening
Het veen in het gebied werd eerst afgegraven (droge vervening) en als
in de 16e eeuw de grondwaterspiegel wordt bereikt, gaat men over op
het baggeren of het slagturven van veen.
de slagturvers, de turftrapper en de turfsteker
aan het werk
|
Het baggeren of slagturven was seizoen arbeid ongeveer vanaf april tot
en met juni. Dit gebeurde door losse veenarbeiders. Daar er veehouders
waren die hun beroep combineerden met dat van veenbaas, werden zij in
Zuid-Holland veenboeren genoemd. Ook de eendenvangst was een bron van
neven inkomsten. De losse arbeiders vonden meestal daarna weer werk
als hooier.
In de winter werd er gevist, gejaagd en rietgesneden (van december tot
april). De rietcultuur in de Kop van Overijssel was van zeer goede kwaliteit.
Foto 1 toont enkele gereedschappen, die gebruikt werden bij de natte
vervening.
Met een baggerbeugel kon men meters diep slagturven waardoor naar
schatting in de loop van tijd zo'n 4 meter veen verdween.
Een baggerbeugel is een lange stok van ongeveer 5 meter voorzien
van een baggernet met een scherpe rand, waarmee de veengrond tot
op de klei werd losgesneden en vervolgens boven water werd gebracht.
De zware stukken veen en modder werden in de scheepjes (baggerbok)
geworpen en met elkaar vermengd. Daarna werd deze substantie op
de met stro bedekte legakker verspreid om te drogen. |
1. gereedschappen
|
|
Vooraf werd de legakker eerst geëgaliseerd en om de legakker
groef men een 10 à 15 cm brede greppel voor de afwatering.
Om een droge ondergrond te hebben en het vastgroeien van turf
te voorkomen werd deze met stro of riet bedekt.
Bij de baggerturf werd de lengte bepaald door de dikte van de
sliklaag. Tijdens het op de legakker aanbrengen van de sliklaag
werd uitgegaan van een dikte van 33,5 cm en dit werd met behulp
van de
|
2. treeplank
|
peilstok gemeten. Als
de sliklaag in de eerstenacht 3 tot 5 cm kromp, dan was het mengsel
goed. Daarna werd het slik afgetrapt door de turftrapper. Met
plankjes (treebord zie afb. 2) onder de klompen en gewapend met
twee stokken om weg zakken te voorkomen werd het water eruit geperst
tot een hoogte van ongeveer 22 cm.
Daarna als de substantie enigszins droog genoeg was, kon de turfsteker
aan de slag. Een veld van ongeveer 3,5 m bij 15 à 30 m
werd door hem met |
3. voorbeeld legakker
|
een scherpe spade gesneden
in turfjes van ongeveer 7,5 cm bij 7,5 cm bij de lengte van ongeveer
22 cm. De turven werden op een rieten ondergrond, met kleine geultjes
voor de waterafvoer, opgestapeld in regels d.w.z een rij turven.
Tussen de turven werden kleine openingen (luchtdoorlaat) gelaten
om het drogen te bevorderen (zie afb. 3).
Regelmatig werden ze ook gekeerd.
Eenmaal droog dan werden de turven naar de wal gebracht. De turfbok
of turfpraam van Gieterse afkomst werd veel in Friesland gebruikt
voor de |
4. steupel
|
|
afvoer van turf uit de turfvelden over ondiepe sloten en vaarten
naar het turfschip. Het laadvermogen van de turfbok is 7 á
8 ton en kan ± 16.000 turven vervoeren. Met de turfbok
werd o.a. turf, vee, mest, aarde, hooi, melkbussen ect. vervoerd.
D.m.v. een trilker (een dikke lange paal) werd het vaartuig
voort bewogen.
De meeste bokvaartuigen bleven in eigendom van de bouwer en
werden verhuurd. Als de turfbok te slecht werd voor het vervoer
van turf werd er door de dorpstimmerman vaak een woninkje op
gebouwd
|
5. de turfbok of turfpraam
|
zgn. bokwoning.
Rieten manden werden gebruikt bij het laden van de
kar. Bij elke volle mand werd een streepje op de turfplank gezet,
4 verticale en één dwarsstreepje, het zogenaamde
turven. Zo wist men hoe groot de opbrengst van de turf was. Voor
eigen gebruik had men een steupel turf. Een steupel is een stapel
turf opgebouwd uit drie rijen (zie afb. 4). In de winter werd
de steupel turf afgedekt met rieten matten, zodat de turven droog
en luchtig bleven. |
6. het afvoeren van turf
|
naar boven
De gevolgen van de veenderij.
Zuid-Holland.
Vanaf het einde van de zestiende eeuw werden er al in Zuid-Holland
maatregelen genomen om de vervening onder controle te houden. Bepaald
werd dat trekgaten niet breder mochten zijn dan ongeveer 5,5 meter.
Legakkers moesten minimaal ongeveer 4 meter breed zijn en worden beplant
met bomen of riet. In 1767 werd bepaald dat als bescherming tegen
opdringend water voor dijken en kaden een strook van 50 meter land
onverveend moest blijven.
De verveners moesten een bepaald bedrag betalen voor
dijkbeheer en waterafvoer. Bijvoorbeeld in 1697 betaalde men per verveende
roe (veenmaat 14,19 m2)1 stuiver per roe. Ook moest men voor de aanvoer
van turf op de markt accijns betalen.
Hollands moerasland
Schilderij van Paul Gabriël 1890
|
Uiteindelijk resulteerde natte vervening in plasvorming.
De uitgebaggerde kanalen groeiden in de 18e eeuw door stormen en afslag
van de legakkers uit tot veenplassen. Zo ontstond er in midden Zuid-Holland
een groot plassen gebied. De bevolking trok weg daar bouwland schaars
werd en er was voortdurend overstromingsgevaar. De enige manier om
het land van de ondergang te redden was een droogmaking. De polders
werden bedijkt en vervolgens leeg gemaald met poldermolens. Het droog
gemaalde land werd opnieuw ingericht, sloten werden gegraven, het
land werd verkocht en de boeren konden weer aan de slag.
meer informatie
over droogmakerij
 |
Waar eens de boerderij van Pieter Cornelis
Stolck heeft gelegen, verrees eind 1960 in de polder Ommoord
de eerste flatgebouwen.
Vervolgens de wijk Zevenkamp, in deze wijk herinneren de namen
Wollefoppenweg en het Wollefoppenpark nog aan de hoefslag Wollefoppen.
|
Overijssel.
De veenbaggeraars hebben ook onbewust een mooi natuurgebied gemaakt,
waar veel planten en vogels zich goed thuis voelen.
De meren van Giethoorn, waar Hendrik Jans Sijmons zijn jeugd
doorbracht, is nu het natuurgebied ''De Wieden'' van de Vereniging
Natuurmonumenten.
Kalenberg waar Hendriks Jans echtgenote Lummigje Berends Otten
geboren werd, ligt in het Nationaal Park De Weerribben van Staatsbosbeheer
|
|
 |
 |
De Weerribben.
De Weerribben ligt in de Kop van Overijssel, in de buurt van Steenwijk.
Het is een landschap waar water en riet overheersen. Water is de meest
bepalende factor voor plant en dier in De Weerribben. Als groot, waterrijk
gebied is het ook van internationale betekenis als broed- en verblijfplaats
voor (water)vogels. Daarom is De Weerribben aangemeld als "wetland",
een internationale kwalificatie.
In de Weerribben liggen geen grote open plassen. Het water bestaat
uit sloten, vaarten en petgaten. In het rustige water van de sloten
en petgaten komen allerlei waterplanten voor.
De Wieden.
De Wieden in de Kop van Overijssel is met 5700 ha water, riet, gras-
en hooilanden en moerasbos een van de grotere gebieden van de Vereniging
Natuurmonumenten.
Het Gieterse meer is het enige natuurlijke meer, dit is in de ijstijd
ontstaan. De overige meren ontstonden doordat de te smalle legakkers
bij storm en hoog water wegsloegen. En door de turfafgraving ontstond
een landschap afgewisseld van water (de trek- of petgaten) en land
(de legakkers of ribben).
Samen met De Weerribben van Staatsbosbeheer vormt De Wieden het grootste
aaneengesloten laagveenmoeras van West-Europa.
Friesland
De twee kaarten hieronder van Ængwirden laten het gevolg van
het baggeren van veen goed zien. Op de linker kaart voordat men de
turf op grote schaal exploiteerde. Op de rechterkaart is het hooiland
veranderd in plassen, ook de twee vervallen vogelkooien (V) zijn tenonder
gegaan. Het bouwland ten zuiden van Tjalleberd en Luinjeberd is ook
verdwenen in het water, voor beide dorpen rest nog een smalle strook
land.
Ængwirden voor
1750
|
Ængwirden 1850
|
De veenbaas moest voor een bepaalde hoeveelheid gebaggerd veen een som
geld storten in een fonds. Dit geld was bestemd om van de veenplassen
en ribben weer behoorlijke cultuurgrond te maken. Zo heeft men in het
zuiden van Friesland door ontginning en regeling van de waterstand weer
uitstekende weilanden kunnen aanleggen.
naar boven
Bronnen.
Dhr. D Koeleman
Oog in oog met het groene hart van Holland door Egbert de Kuijper
De Gietersen in Friesland door Jochem Kroes
58 miljoen Nederlanders
Veenmuseum It Damshûs te Nijbeets
Veenmuseum
"In de Veenen" te Vinkeveen
Veenkoloniaalmuseum.nl
De
Lansingh Historische Sprokkelingen
©2003
|