Turfsteker


Pieter Cornelis Stolck
bouwman en vervener te Wollefoppen
Zuid-Holland

Hendrik Jans SIJMONS
veenbaas en turfmaker te Ængwirden
Friesland


Slagturver

Eeuwenlang was een deel van de Nederlandse bevolking betrokken bij de veenderij. Turf was gedurende eeuwen een belangrijke bron van bestaan, brandstof voor eigen gebruik later toen de vraag toenam, het exploiteren hiervan. In de door mij onderzochte kwartierstaten komen veenboeren, slagturvers en turfmakers voor. De ene tak in Zuid Holland een andere tak in de kop van Overijssel en aangrenzend Friesland. Dit was voor mij de aanleiding om informatie te verzamelen over turf d.m.v het lezen van boeken, een bezoek aan het veenmuseum te Vinkeveen en verschillende internet pagina's.
Door samenvoeging van de gegevens kreeg ik meer inzicht over de beroepen in de veenderij en de leefomstandigheden van de betreffende voorouders.
Mijn dank aan ieder die informatie beschikbaar heeft gesteld.

Vorming van veen.
De ontginning.
Turf als brandstof.
Turfwinning.
Gevolgen van de veenderij.

Pieter Cornelis Stolck
bouwman en vervener
te Wollefoppen (Ommoorden) onder Hillegersberg

Voorheen viel Ommoorden onder Hillegersberg. Sinds 1941 valt door de annexatie van Hillegersberg Ommoord en dus ook Wollefoppen onder de gemeente Rotterdam.
In circa 1420 was Ommoorden verdeeld in:
Ommoordenwesthoefslag groot 401 morgen
Ommoordenoosthoefslag groot 396 morgen
Wollefoppenhoefslag groot 150 morgen
Hierin lagen de twee plassen; het IJselremeer, vermeld sedert 1281 en het Baersmeer, vermeld sedert 1411. Het eerste was voor driekwart leenroerig aan de hofstad Capelle, voor het overige aan de hofstad Honingen, evenals het Baersmeer.
In deze maar ook in de omliggende polders was het hoofdmiddel van bestaan in 1730 de turfwinning. Het gebied was gunstig gelegen aan de Rotte, waar de turf per boot werd afgevoerd naar de stad Rotterdam. Voor het vervenen moest octrooi aangevraagd worden en per verveende roe (veenmaat 14,19 m2) moest 1 stuiver belasting betaald worden.


1740 de grijze delen geven de verveningen aan

Pieter Cornelis Stolck alias Stollick werd geboren circa 1550 en overleed voor 23 november 1610, circa 1580 trouwde hij met Commertge Cornelis (Cater).
Het Repertorium op de lenen van Honingen vermeldt in 1592, dat Pieter Cornelis na overdracht door Commer Philips een leen van 3 morgen, ongeveer 2,5 ha verkrijgt te Ommoorden in den "laegen Keencamp", hoefslag Wollefoppen aan het IJsselmeer.
De naam Stolck of Stollick duidt erop dat de familie van oorsprong afkomstig is uit Stolwijk.
Als Pieter Cornelis Stolck in 1610 overlijdt gaat het leen over op zijn ongeveer 30-jarige zoon Cornelis Pietersz. Stollick de 11 jaar oudere broer van Sijmon Pieters. Blijkens een
akte uit 1622 zijn beide broers de buren van Cornelis Adryaensz Goetkint, wonende in Wollefoppen en zijn vrouw Sijtgen Sebastiaensdr. Blijkbaar konden er twee gezinnen leven van de verkoop van boter en turf. De beide broers bezaten of hadden vermoedelijk nog meer land in pacht.
Nadat het genoemde leen na 100 jaar in de familie Stolck geweest was, moest Neeltje Pietersdr Stolck (kleindochter van Cornelis Pieters Stolck, dus achter kleindochter van Pieter Cornelis Stolck) het leen noodgedwongen overdragen.

Datum 05-02-1692:

Jan Pietersz. Hillebrands, na overdracht door Adriaen van der Wolf,
secretaris van Hillegersberg, als curator van de geabandonneerde boedel van Neeltie Pieters Stolk.


OV 1962

De zoon van Sijmon Pieters Stolck, Pieter Sijmonsz Stolck, trouwt op 3 november 1641 met Maritge Bonifaes dochter van Bonefaes Jansz. afkomstig van Schiebroek. Pieter Sijmons vertrekt uit de hoefslag Wollefoppen en vestigt zich in het ambacht Schiebroek als bouwman.
De polder Schiebroek, zo'n 5 meter beneden n.a.p., ligt tussen Hillegersberg en Overschie en ook in deze polder werd aan turfwinning gedaan. Het gevolg plasvorming zodat in 1772 werd besloten om 570 ha. droog te maken. Schoonvader Bonefaes Jansz hield zich ook bezig met turf baggeren blijkens een overeenkomst tussen hem en mr. Anthonis Willemsz.

Datum 23-04-1630

Bonefaes Jansz, wonende in Schiebroeck bevestigt overeengekomen te zijn met mr. Anthonis Willemsz,
dat hij geen turf meer zal baggeren uit de sloten tussen zijn land en dat van
mr. Anthonis Willemsz. Deze overeenkomst is gemaakt nadat mr. Anthonis Willemsz had gedreigd met gerechtelijke stappen tegen Bonefaes Jansz voor
de Hoogheemraden van Schielant.

ONA Rotterdam inv.nr.67 aktenr. 127

De nazaten van Pieter Sijmons Stolck o.a. kleinzoon Bonefaas (Beun) Janz Stolck gedoopt op 17-12-1684 te Hillegersberg vertrok uit de polder Schiebroek en vestigde zich als bouwman in de iets noordelijker gelegen Schieveensepolder onder Overschie. In 1718-1719 wordt Beun Janse Stolk vermeld als ambachtsbewaarder van Schieveen. Om voor deze functie in aanmerking te komen moest men over eigen landerijen beschikken.


Hendrik Jans SIJMONS
turfmaker en veenbaas
te Tjalleberd (Ængwirden)

Hendrik Jans Sijmons geboren circa 1725 groeide op in het Schoutambt Giethoorn, liggend in het noordwesten van Overijssel. (Een waterrijk gebied, ontstaan door de veenderij).
Op 28-01-1750 trouwde Hendrik Jans te Giethoorn met Lummigje Berends Otten, geboren te Kalenberg. In Kalenberg en omgeving (iets ten noord westen van Giethoorn) waren ook veel veenderijen, ook zij groeide dus op tussen de turven. Op 19 jarige leeftijd werkte zij als meid in Duynsater kluft Schoutambt Giethoorn. Vele Gietersen moesten van de turfwinning bestaan, daarnaast hadden zij ook inkomsten uit veeteelt, riet snijden (december tot april) of uit eendenvangst en visserij.
In de 2e helft van de 18e eeuw vertrokken veel families uit Giethoorn naar Zevenwolden, zoals het zuidoostelijke deel van Friesland werd genoemd en met name naar de grietenij Ængwirden. Er kwam daar een eind aan het turfsteken en de Gietersen hadden een ruime ervaring met slagturven.
Ook Hendrik Jans Simons vestigden zich met zijn gezin in de grietenij Ængwirden als turfmaker en later als veenbaas.
Het aanmaken en het drogen van de turf werd gedaan door de turfmakers. Zij waren tevens belast met het vervoerklaar maken en het laden van de turf. De losse veenarbeiders deden het zware baggerwerk.
De banden met Giethoorn bleven sterk, want veelal huwde men met een partner uit een Giethoornse familie, zoals o.a met Dam, Haxe, Krikke, Krol, Kruis en Wuijte.
Al op jonge leeftijd moesten de kinderen meehelpen, bijna vanzelfsprekend traden zij in de voetsporen van hun vader en werden turfmakers. Ook de vier zonen (Jan, Geert, Gerrit en Beerend) van Hendrik Jans werden veenbaas en of turfmaker in de grietenij Ængwirden. En zo ook veel van hun kinderen die niet allemaal in Ængwirden bleven. Zij trokken naar de omliggende gemeenten Opsterland, Haskerland, Schoterland of Weststellingwerf. Sommige ook naar nieuwe veenderijen zoals bijvoorbeeld de omgeving van Lutten liggend in het Ambt Hardenberg.
Achter achterkleinzoon van Hendrik Jans Sijmons, Jacob Klazes Simons geboren op 07-01-1852 te Katlijk, was de laatste turfmaker in de kwartierstaat Simons. Hij overleed op 13-04-1916 te Eesveen op 64-jarige leeftijd. Een tijdperk van meer dan vijf generaties turfmakers en veenbazen werd afgesloten.
naar boven

Vorming van veen.

Laagveen.

Zowel laagveen als hoogveen is veen, een grondsoort die bestaat uit niet geheel vergane plantenresten. Als veen maar lang genoeg en ongestoord in de bodem blijft, gaat het inkolen. Afhankelijk van de tijdsduur gaat de kleur van het veen over van lichtbruin via donkerbruin naar zwart oftewel veen(turf) wordt bruinkool en daarna steenkool. Als het veen zich vormt met behulp van grondwater, dan noemt men dit laagveen, wordt het veen gevormd d.m.v. regenwater dan noemt men dit hoogveen.

Het zuidwesten van Zuid-Holland werd vele duizenden jaren sterk beïnvloed door het proces van zeespiegelstijging en -daling. Er ontstonden duinen van zand door golven en zeestromingen waardoor een strandmeer gevormd werd, waarvan het water door toevoer van rivierwater steeds meer verzoette. Het meer ontwikkelde zich al gauw tot moeras met dikke veenpakketten. In tijden van zeespiegelstijging sloegen diepe zeegeulen het Hollandse land in, terwijl in tijden van zeespiegeldaling een brakke binnenzee ontstond. Dit proces van stijging en daling van de zeespiegel herhaalde zich meerdere malen, daarbij nieuw land vormend of oud land wegslaand of bedekkend.

Het meer groeide langzaam dicht en door het toen heersende zachte klimaat ontwikkelde zich een bos van elzen, berken, dennen en wilgen. Maar onder invloed van een vochtiger klimaat zette de veenmosgroei weer in en vormde zich op het moerasveen een laag veenmosveen.
Vanaf ca. 500 na Chr. kreeg het veen een aanzien van een waterrijk landschap met tal van plassen en meren en natuurlijke waterlopen, terwijl de begroeiïng behalve uit gras en riet ook uit bossen van elzen en waterwilgen bestond. Bij vloed drong de zee via geulen en kreken diep het land binnen, waardoor zand en klei in de geulen en op het ondergelopen veen bezonk. Tussen de kreken bevonden zich "veenkussens".
Biesbosch
voorbeeld van een waterrijk landschap
Deze konden heel wat water absorberen. Op een gegeven moment raakten ze vol, zodat het regenwater naar de rivier stroomde en zo een "veenstroom" vormde, zoals de Rotte, de Leede en de Schie. Het grote laagveen bereikte voor de inklinking een dikte van 2 tot 6 meter.

Hoogveen.

Engbertsdijkvenen
De Engbertsdijkvenen in Overijssel is een hoogveengebied

Na de ijstijd verdween het landijs uit Nederland en de gletsjers lieten een grillig landschap achter o.a. de Hondsrug. Het ijs had dalen uitgeschuurd en een ondoorlatende laag keileem achtergelaten. In de laagtes vormde regenwater meertjes, die langzaam aan dichtgroeiden met waterplanten. De afgestorven plantenresten hoopten zich op tot (laag) veenlagen. Dit veen was op een gegeven moment zelfs zo dik dat de bovenste plantenlaag niet meer bij het voedselrijke grondwater kon komen. Hierop kon de veenmos zich goed ontwikkelen daar zij alleen van de lucht en regenwater kon leven.
veenmos Een blaadje van een veenmossoort onder de microscoop toont de netvormige structuur van het weefsel. De langgerekte smalle cellen die veel bladgroenkorrels bevatten, vormen zeshoekige cellen zonder levende inhoud, die als watercellen bekend staan. Dankzij deze structuur, die ook in stengels te vinden is, fungeert het mosweefsel als een reusachtige spons, die veel water kan opzuigen en vasthouden.
Veenmos groeit aan de bovenkant aan en sterft aan de onderkant af. Het zijn planten zonder wortels en het kan in de stengels en nerfloze blaadjes 10 tot 40 maal zijn eigen gewicht aan water vasthouden. Door het waterabsorberend vermogen is de plant voor de groei weinig afhankelijk van het grondwater. Doordat de plantjes bovendien in dichte kussens groeien, wordt dat watervasthoudend vermogen nog eens extra versterkt. Zo ontstaat als het ware een enorme levende spons. Het afstervende veenmos verteert slecht in het zure en zuurstofarme regenwater en hoopt zich dus op. Aan de bovenkant groeit deze laag echter rustig verder, zodat deze hoogveenspons meters boven het oorspronkelijke grondwaterpeil uitkomt. Hoogveen groeit aan met de 'snelheid' van ongeveer een halve millimeter per jaar. Het duurt dus eeuwen en eeuwen voordat een veenlaag dik genoeg is om te worden ontgonnen.
naar boven
De ontginning.

Zuid-Holland


In eerste instantie werd het veengebied van Zuid-Holland vanaf de strandwallen ontgonnen, later ook vanaf veenriviertjes als o.a. de Schie en vanaf de klei- en kreekruggen. De eerste boerderijen werden ca. 800 gebouwd, maar de echte ontginning vond plaats tussen 1000 en 1300.
Op de metersdikke veenlaag kon landbouw bedreven worden.
De graven gaven grote delen grond in leen uit aan de leenmannen die van lagere adel waren. De uitgegeven stukken grond werden ambachten of heerlijkheden genoemd. De leenman of ambachtsheer gaf de grond weer uit aan kolonisten om de grond te ontwateren en te ontginnen. De bevoegdheid om recht te spreken en belasting te innen delegeerde de ambachtsheer aan de schout en schepenen die in bezit moesten zijn van landerijen om voor die functie in aanmerking te komen.
De ontginning bestond uit het verwijderen van bomen, struikgewas en afvoer van water. Eerst werd het terrein afgebrand en vervolgens verdeeld in gelijke stukken van 30 roeden en daar tussen de sloten van 6 voorling lang. De zogenaamde strook ontginningen: diepte in voorlingen, breedte in roeden uitgedrukt. Een hoeve van 30 roe bij 6 voorling was de standaardmaat. ( 30 roeden = 113 meter en 6 voorling = ruim 1243 meter) De sloten groef men recht op het afwateringskanaal en bij de rivier, die als transportweg diende, werd de hofstede gebouwd. Geruime tijd na de ontginning van het veen verschenen de eerste dijken. Aanvankelijk verliep de afwatering zonder veel problemen doordat het veen boven
inklinking het waterpeil van de rivier lag. Door het onttrekken van water aan het veen verloor het veen veel volume en begon ze te dalen. Uiteindelijk werd het noodzakelijk om dijken aan te leggen en rond 1400 werd de windmolen ontwikkeld, waarmee water op een hoger niveau kon worden gebracht. In de zestiende en zeventiende eeuw werd de molenbemaling ingevoerd en verschenen de eerste poldermolens. Het land bleef hiermee tot op zekere hoogte droog.

Boekweitverbouw op de hoogveen gebieden in Overijssel en Drente
.

Boekweit is een product dat weinig eisen aan de grond stelt en werd dan ook veel verbouwd op de bovenlaag van het hoogveen (bonkaarde of bolster), die ongeschikt was als brandstof. Na de oppervlakte van het veen enigszins losgehakt of losgeploegd te hebben stak men deze bovenlaag in brand. De as die achter bleef zorgde voor een vruchtbare ondergrond. De boekweitbranden veroorzaakte wel een enorme luchtverontreiniging.
Daarna werd de grond weer losgemaakt en kon de boer gaan zaaien.
Boekweit was enorm weersgevoelig waardoor oogsten toch vaak tegenvielen, een enkele nachtvorst in de vroege zomer kon een totale misoogst tot gevolg hebben.
Een boekweitveld heeft een lichtroze kleur en de bloemen zijn onder andere bruikbaar voor honingproductie. Na een groeiperiode van 3 maanden kon er geoogst worden.
De boekweitzaden hebben iets met granen gemeen, naast zetmeel bevatten zij ook diverse waardevolle bestanddelen. Voor het bakken van brood was boekweit niet geschikt, wel voor het maken van pap en pannenkoeken. Het overschot werd gebruikt als veevoer voor de varkens. Aangezien boekweit goedkoper was dan graan, werd de vraag naar boekweit groter als de graanprijzen hoog lagen.
naar boven
Turf als brandstof.

Wanneer het veen voor het eerst als brandstof werd gebruikt is niet bekend.
Wel weten we dat men al in de Romeinse tijd wist dat droog veen als brandstof was te gebruiken. In de vroege Middeleeuwen was turf, het gedroogde en in blokken gestoken veen, de belangrijkste brandstof voor verwarming. Op kleine schaal werd het land vergraven of gebaggerd bestemd voor eigen gebruik. Zo ontstonden er kleine turfputjes of wat grotere petgaten, die langzaam weer dichtslibten. Soms haalde men veen uit de sloten waardoor die plaatselijk erg breed konden worden.
turf
Door toenemende bevolking en welvaart werd de vraag naar turf in de Hollandse steden zo groot dat het voor boeren financieel interessant begon te worden om op grote schaal te gaan vervenen. Het land werd immers drassigger door inklinking. Gevolg minder voedsel voor het vee, verlaging van de produktie dus minder inkomsten. Velen werden naast hun boerenbedrijf ook slagturver of baggeraar. Het bruine goud, zoals turf ook wel werd genoemd, was in toenemende mate ook de brandstof van de steenbakkerijen. Het aantal steenbakkerijen nam in de Middeleeuwen steeds toe. De brandgevaarlijke houten huizen werden steeds vaker vervangen door bakstenen huizen. Bovendien werden steeds meer kerken gebouwd met baksteen.
Ook de bierbrouwers in de steden maakten eeuwenlang gebruik van turf als brandstof. Bier was een volksdrank, hoe slechter het drinkwater hoe meer vraag naar deze licht alcoholische drank.
De veenderij werd het hoofdmiddel van bestaan in bijvoorbeeld de polders van Ommoord, Berkel, het gebied rondom Pijnacker-Nootdorp en Vinkeveen, waardoor de veenkussens snel slonken.
Kort na de Middeleeuwen (vanaf 1500) was er echter al niet veel veen te delven aan de oppervlakte. Door de turfstekerij ontstonden echter enorme waterplassen, zodat men overging op slagturven of baggeren van veen. Eerst werden veengebieden dicht bij de (Hollandse) steden vergraven. Toen het veen tot op de kleilaag - dus tot meters onder de waterspiegel - was opgebaggerd, gingen de Hollandse steden op zoek naar nieuwe veengebieden. Deze werden o.a. gevonden in zuidoost Friesland en in noordwest Overijssel.
slagturver


Het noordwesten van Overijssel.

In de kop van Overijssel ligt Giethoorn gesticht omstreeks 1230. Het karakteristieke van het dorp is ontstaan in de tijd van de turfgravers. Men groef vaarten en sloten om de turf te vervoeren. Huizen werden op eilandjes gebouwd die alleen via de typische bruggetjes te bereiken waren.
Door de turfafgraving ontstond een landschap afgewisseld van water (de trek- of petgaten) en land (de legakkers of ribben). Doordat men de legakkers ongecontroleerd smaller maakten, werden de trekgaten breder. Met gevolg dat de legakkers bij storm en overstromingen wegsloegen en zo ontstonden de meren rond Giethoorn.

Regelmatig vonden overstromingen en dijkdoorbraken plaats en menigmaal moesten de bewoners met hun vee vluchten naar hoger
kaart de wieden
gelegen gebieden. Twee grote overstromingen, die van 1776 en 1825 richtten een spoor van vernielingen aan langs de kust van Overijssel. Het dorpje Beulaecke verdween in de 1776 in de golven. Ook het dorp Blankenham werd zwaar getroffen.
De laatste maal bezweek op zes plaatsen de zeedijk waardoor het dorp Blankenham en het achtergelegen veen-en moerasland geheel blank kwam te staan. De kolken achter de zeedijk zijn ontstaan door de dijkdoorbraken.
Om voor toekomstige rampen gewaarschuwd te zijn, plaatste men tussen Vollenhoven en Kuinre een aantal kanonnen. De bevolking in de omgeving van Giethoorn werd vanuit Blokzijl gewaarschuwd, Kalenberg en omgeving door de twee kanonnen die in Blankenham geplaatst waren.
De kanonniers dienden bij dreigend hoogwater de bevolking te waarschuwen door eenmaal een schot af te vuren. Tweemaal betekende een mogelijke dijkdoorbraak en driemaal was 'wegwezen'. De laatste keer dat het kanon gebruikt werd, was in 1928 enkele jaren voordat de Zuiderzee IJsselmeer werd (1932).
blankenham
Kanon te Blankenham op de toenmalige zeedijk gericht op het achterland.
De ligging aan de Zuiderzee maakte van Blokzijl een perfecte overslaghaven. De schepen vervoerden de turf richting de Hollandse steden en op de terugreis namen de schippers schelpen mee vanuit de Waddenzee. Op verschillende plaatsen werden kalkovens gebouwd, dit schiep extra werkgelegenheid. Er was brandstof (turf) genoeg en voor de aan en afvoer waren de vaarwegen al aanwezig.
De schelpen werden met de turf verbrand tot kalk. Kalk werd gebruikt in de bouw bij bereiding van metselspecie en ter verbetering van de zure
kalkovens meppel
kalkovens te Meppel.
dalgrond. De kalkovens zijn allang buiten gebruik, enkele zijn gerestaureerd o.a. in Meppel en Hasselt en iets verder landinwaarts in Dedemsvaart zijn ze nog aanwezig.

De veenarbeiders In Overijssel woonden in eenvoudige huizen. Alleen de voorgevel was opgetrokken uit baksteen en de andere zijden bestonden uit houten planken, daar anders het huisje te zwaar werd voor de slappe veengrond en zou verzakken. De dakbedekking bestond uit riet, dat volop aanwezig was in dit waterrijk gebied. De ene helft van de woning was bestemd voor de stal en de andere helft was de leefruimte. In deze ruimte (geschat 15 m2) werd gekookt, gegeten en geslapen in de de bedstee. Op de onderstaande foto, genomen in het Natuuractiviteitencentrum De Weerribben, is zo'n veenarbeiderswoning te zien.

veenarbeidershuis overijssel
interieur veenarbeidershuis


Het zuidoostelijke deel van Friesland.

De streek ten oosten van wat nu Heerenveen heet was aanvankelijk een onherbergzaam veengebied.
Net zoals in Zuid-Holland werd het veen in het zuidoosten van Friesland tijdens de middeleeuwen op kleine schaal ontgonnen voor eigen gebruik. De uitgegraven turfputjes of petten groeiden deels weer dicht en werd deels aangevuld met de bonkaarde (de bovenste laag die niet bruikbaar was voor brandstof).
In de 16e eeuw kwam daar verandering in. Wegens de grote vraag naar turf vooral vanuit de grote steden richtten enkele rijke heren uit Friesland en Utrecht in 1551 de Veencompagnie op. Grote veengebieden in Schoterland, Aengwirden en Opsterland werden opgekocht.
Terband Munnikspetten
Munnikspetten onder Terband
Eerst werd het gebied ontwaterd door het graven van vaarten en wijken en deze konden later dienen voor de afvoer van de turf. Toen het gebied gereed was, kon de exploitatie van turf op grote schaal plaatsvinden. Hiervoor was veel mankracht nodig.
De veenwerkers en hun gezinnen vestigden zich langs de veenkanalen en zo ontstonden de lintdorpen. Het was een karig bestaan waarin hard gewerkt moest worden door grote gezinnen. De behuizing varieerde van een houten krot, een huisje gebouwd op een afgedankte bok (een lang aan beide kanten puntig schip) of een plaggenhut. Kinderarbeid was heel gewoon. Al vanaf hun twaalfde jaar moesten de kinderen met hun vader mee om te werken in het veen. Ze moesten met een kruiwagen de turf naar de turfschepen brengen. In het begin van de 19e eeuw verdiende een arbeider in Aengwirden ca. fl. 0,70 tot fl. 0.80 per dag.
Het hoogtepunt van de vervening vond plaats tussen 1650 en 1750. In de tweede helft van de 18e eeuw kwamen de verveners uit Giethoorn en toen begon men het veen uit te baggeren met de beugel. Het opgebaggerde veen werd in aan beide kanten puntige scheepjes geworpen en in die "bokken" vervoerd naar de plek waar het verder werd toebereid. Er ontstonden grote waterplassen, die niet meer dicht groeiden.
Van verschillende zijden werd op stopzetting of beperking van de vervening aangedrongen. De Staten van Friesland wilden de voordelen, aan de turfgraverij en turfhandel verbonden, niet prijsgeven en in 1767 werd, ondanks vele bezwaren, besloten de veengraverij niet te beperken.
noordwolde plaggenhut
plaggenhut te Noordwolde
nijbeets veenarbeidershuizen
veenarbeidershuisjes te Nijbeets
Een veenarbeidershuisje met keuken en de woonkamer met de bedsteden.
Veenmuseum It Damshûs te Nijbeets

naar boven


Turfwinning.

Bij turfwinning kunnen twee technieken onderscheiden worden:

De eerste techniek is de winning van turf boven de grondwaterspiegel, ook wel droge vervening of het delven van turf genoemd.
Het veen wordt gestoken als "lange turf".
Turfgraven was een zwaar werk.
Hoogveen treft men in b.v. Drente en Noord Brabant aan.
De tweede techniek betreft de winning onder de grondwaterspiegel, de natte vervening. Dit gebeurde veelal met een baggerbeugel. Het levert de harde, korte turf op.
Het was een zeer arbeidsintensief proces.
Laagveen treft men in b.v. noord/west Utrecht, Zuid-Holland, de kop van Overijssel en Friesland aan.
natte vervening

De droge vervening.
De hoogveengebieden werden ontwaterd door middel van een systeem van greppels en sloten. Was het gebied voldoende ontwaterd dan konden de kanaalgravers komen. Zij legden een systeem van wijken en kanalen aan voor het vervoer van de turf.
gereedschappen In 1658 verscheen zelfs een handleiding voor het turfgraven van Martinus Schoockius onder de Latijnse titel Tractatus de Turffis. Alle gereedschappen gebruikt door de veenarbeider komen in dit in Latijns geschreven boekje aan bod. Schoockius beschreef onder ander de turfkar, wadder of stikker, spade (=opschot, oplegger)
en kaarzettersvork, gereedschappen die tot in de 20e eeuw werden gebruikt.

Het delven van turf.
Eerst werden de bovenliggende zoden en een laag van de bovenste turf van circa 0,5 meter, de zogenaamde bonk, verwijderd met de bonkschep.
De afgegraven bonk en plaggen werden afgevoerd en bewaard om deze later te vermengen met de onder het veen liggende zandlaag. Zandgrond vermengd met deze bovenste turf noemt men dalgrond, een grondsoort die uitermate geschikt
was voor landbouw. De onder de bonk gelegen veenlagen werden vergraven tot turf. Met de stikker, werd de turf in grote brokken gestoken.
veenafgraving
1. veenafgraving foto Van Heijningen Bosch
De arbeider (afb. 1) met de stikker stond bovenaan en maakte als het ware de vorm van de turf klaar. Iets lager stond een turfgraver met een opschot of oplegger. Hij stak de brokken turf los en legde ze op een slagkar (afb. 2). De vol geladen slagkar werd naar een veldje gereden waar de turven in een slag werden gezet. Waren de in een slag staande turven droog genoeg, dan werden ze op zogenaamde
slagkar
2. slagkar
'dieken' gezet om na tedrogen. De turven werden zo gestapeld dat de wind goed door de turven kon blazen. Daarna als de turven droog genoeg waren, werden ze in zogenaamde vuren en turfbulten gezet en waren de turven klaar voor transport.
Een bult is een stapel turven opgebouwd uit 4 regels (rijen).
Met een "scheepskoare" werd de turf naar het schip gebracht.

3. de legakker

De natte vervening
Het veen in het gebied werd eerst afgegraven (droge vervening) en als in de 16e eeuw de grondwaterspiegel wordt bereikt, gaat men over op het baggeren of het slagturven van veen.

veenderij
de slagturvers, de turftrapper en de turfsteker aan het werk

Het baggeren of slagturven was seizoen arbeid ongeveer vanaf april tot en met juni. Dit gebeurde door losse veenarbeiders. Daar er veehouders waren die hun beroep combineerden met dat van veenbaas, werden zij in Zuid-Holland veenboeren genoemd. Ook de eendenvangst was een bron van neven inkomsten. De losse arbeiders vonden meestal daarna weer werk als hooier.
In de winter werd er gevist, gejaagd en rietgesneden (van december tot april). De rietcultuur in de Kop van Overijssel was van zeer goede kwaliteit.
Foto 1 toont enkele gereedschappen, die gebruikt werden bij de natte vervening.
Met een baggerbeugel kon men meters diep slagturven waardoor naar schatting in de loop van tijd zo'n 4 meter veen verdween.
Een baggerbeugel is een lange stok van ongeveer 5 meter voorzien van een baggernet met een scherpe rand, waarmee de veengrond tot op de klei werd losgesneden en vervolgens boven water werd gebracht.
De zware stukken veen en modder werden in de scheepjes (baggerbok) geworpen en met elkaar vermengd. Daarna werd deze substantie op de met stro bedekte legakker verspreid om te drogen.
gereedschappen
1. gereedschappen

Vooraf werd de legakker eerst geëgaliseerd en om de legakker groef men een 10 à 15 cm brede greppel voor de afwatering. Om een droge ondergrond te hebben en het vastgroeien van turf te voorkomen werd deze met stro of riet bedekt.
Bij de baggerturf werd de lengte bepaald door de dikte van de sliklaag. Tijdens het op de legakker aanbrengen van de sliklaag werd uitgegaan van een dikte van 33,5 cm en dit werd met behulp van de

treeplank
2. treeplank
peilstok gemeten. Als de sliklaag in de eerstenacht 3 tot 5 cm kromp, dan was het mengsel goed. Daarna werd het slik afgetrapt door de turftrapper. Met plankjes (treebord zie afb. 2) onder de klompen en gewapend met twee stokken om weg zakken te voorkomen werd het water eruit geperst tot een hoogte van ongeveer 22 cm.
Daarna als de substantie enigszins droog genoeg was, kon de turfsteker aan de slag. Een veld van ongeveer 3,5 m bij 15 à 30 m werd door hem met
legakker
3. voorbeeld legakker
een scherpe spade gesneden in turfjes van ongeveer 7,5 cm bij 7,5 cm bij de lengte van ongeveer 22 cm. De turven werden op een rieten ondergrond, met kleine geultjes voor de waterafvoer, opgestapeld in regels d.w.z een rij turven. Tussen de turven werden kleine openingen (luchtdoorlaat) gelaten om het drogen te bevorderen (zie afb. 3).
Regelmatig werden ze ook gekeerd.
Eenmaal droog dan werden de turven naar de wal gebracht. De turfbok of turfpraam van Gieterse afkomst werd veel in Friesland gebruikt voor de
steupel
4. steupel

afvoer van turf uit de turfvelden over ondiepe sloten en vaarten naar het turfschip. Het laadvermogen van de turfbok is 7 á 8 ton en kan ± 16.000 turven vervoeren. Met de turfbok werd o.a. turf, vee, mest, aarde, hooi, melkbussen ect. vervoerd. D.m.v. een trilker (een dikke lange paal) werd het vaartuig voort bewogen.
De meeste bokvaartuigen bleven in eigendom van de bouwer en werden verhuurd. Als de turfbok te slecht werd voor het vervoer van turf werd er door de dorpstimmerman vaak een woninkje op gebouwd


5. de turfbok of turfpraam
zgn. bokwoning.
Rieten manden werden gebruikt bij het laden van de
kar. Bij elke volle mand werd een streepje op de turfplank gezet, 4 verticale en één dwarsstreepje, het zogenaamde turven. Zo wist men hoe groot de opbrengst van de turf was. Voor eigen gebruik had men een steupel turf. Een steupel is een stapel turf opgebouwd uit drie rijen (zie afb. 4). In de winter werd de steupel turf afgedekt met rieten matten, zodat de turven droog en luchtig bleven.
afvoer turf
6. het afvoeren van turf
naar boven

De gevolgen van de veenderij.


Zuid-Holland.
Vanaf het einde van de zestiende eeuw werden er al in Zuid-Holland maatregelen genomen om de vervening onder controle te houden. Bepaald werd dat trekgaten niet breder mochten zijn dan ongeveer 5,5 meter. Legakkers moesten minimaal ongeveer 4 meter breed zijn en worden beplant met bomen of riet. In 1767 werd bepaald dat als bescherming tegen opdringend water voor dijken en kaden een strook van 50 meter land onverveend moest blijven.

De verveners moesten een bepaald bedrag betalen voor dijkbeheer en waterafvoer. Bijvoorbeeld in 1697 betaalde men per verveende roe (veenmaat 14,19 m2)1 stuiver per roe. Ook moest men voor de aanvoer van turf op de markt accijns betalen.

Hollands moerasland
Hollands moerasland
Schilderij van Paul Gabriël 1890

Uiteindelijk resulteerde natte vervening in plasvorming. De uitgebaggerde kanalen groeiden in de 18e eeuw door stormen en afslag van de legakkers uit tot veenplassen. Zo ontstond er in midden Zuid-Holland een groot plassen gebied. De bevolking trok weg daar bouwland schaars werd en er was voortdurend overstromingsgevaar. De enige manier om het land van de ondergang te redden was een droogmaking. De polders werden bedijkt en vervolgens leeg gemaald met poldermolens. Het droog gemaalde land werd opnieuw ingericht, sloten werden gegraven, het land werd verkocht en de boeren konden weer aan de slag.

meer informatie over droogmakerij

Ommoord
Waar eens de boerderij van Pieter Cornelis Stolck heeft gelegen, verrees eind 1960 in de polder Ommoord de eerste flatgebouwen.
Vervolgens de wijk Zevenkamp, in deze wijk herinneren de namen Wollefoppenweg en het Wollefoppenpark nog aan de hoefslag Wollefoppen.

Overijssel.
De veenbaggeraars hebben ook onbewust een mooi natuurgebied gemaakt, waar veel planten en vogels zich goed thuis voelen.
De meren van Giethoorn, waar Hendrik Jans Sijmons zijn jeugd doorbracht, is nu het natuurgebied ''De Wieden'' van de Vereniging Natuurmonumenten.
Kalenberg waar Hendriks Jans echtgenote Lummigje Berends Otten geboren werd, ligt in het Nationaal Park De Weerribben van Staatsbosbeheer

Weerribben
Weerribben Wieden

De Weerribben.
De Weerribben ligt in de Kop van Overijssel, in de buurt van Steenwijk. Het is een landschap waar water en riet overheersen. Water is de meest bepalende factor voor plant en dier in De Weerribben. Als groot, waterrijk gebied is het ook van internationale betekenis als broed- en verblijfplaats voor (water)vogels. Daarom is De Weerribben aangemeld als "wetland", een internationale kwalificatie.
In de Weerribben liggen geen grote open plassen. Het water bestaat uit sloten, vaarten en petgaten. In het rustige water van de sloten en petgaten komen allerlei waterplanten voor.

De Wieden.
De Wieden in de Kop van Overijssel is met 5700 ha water, riet, gras- en hooilanden en moerasbos een van de grotere gebieden van de Vereniging Natuurmonumenten.
Het Gieterse meer is het enige natuurlijke meer, dit is in de ijstijd ontstaan. De overige meren ontstonden doordat de te smalle legakkers bij storm en hoog water wegsloegen. En door de turfafgraving ontstond een landschap afgewisseld van water (de trek- of petgaten) en land (de legakkers of ribben).
Samen met De Weerribben van Staatsbosbeheer vormt De Wieden het grootste aaneengesloten laagveenmoeras van West-Europa.
De Wieden en Weerribben


Friesland
De twee kaarten hieronder van Ængwirden laten het gevolg van het baggeren van veen goed zien. Op de linker kaart voordat men de turf op grote schaal exploiteerde. Op de rechterkaart is het hooiland veranderd in plassen, ook de twee vervallen vogelkooien (V) zijn tenonder gegaan. Het bouwland ten zuiden van Tjalleberd en Luinjeberd is ook verdwenen in het water, voor beide dorpen rest nog een smalle strook land.

aengwirden  1750
Ængwirden voor 1750
aengwirden 1850
Ængwirden 1850

De veenbaas moest voor een bepaalde hoeveelheid gebaggerd veen een som geld storten in een fonds. Dit geld was bestemd om van de veenplassen en ribben weer behoorlijke cultuurgrond te maken. Zo heeft men in het zuiden van Friesland door ontginning en regeling van de waterstand weer uitstekende weilanden kunnen aanleggen.

omgeving heerenveen

naar boven


Bronnen.
Dhr. D Koeleman
Oog in oog met het groene hart van Holland door Egbert de Kuijper
De Gietersen in Friesland door Jochem Kroes
58 miljoen Nederlanders
Veenmuseum It Damshûs te Nijbeets
Veenmuseum "In de Veenen" te Vinkeveen
Veenkoloniaalmuseum.nl
De Lansingh Historische Sprokkelingen

 

©2003