Watermolenaar
Pieter Cornelis Neeleman
Pieter Cornelis Neeleman zag het daglicht in Heer Aertsberg (Bergambacht)
en werd gedoopt op 26 juli 1750 te Haastrecht.
Pieter overleed 7 april 1818 te Berkel op 67-jarige leeftijd.
Op 22/23 jarige leeftijd vertrok Pieter Cornelis naar Berkel, waar hij in 1773 werd aangesteld als watermolenaar op de bovenmolen " de Kerfwaateringse molen"
in de Westpolder van Berkel.

Pieter, weduwnaar van Antje Cornelis Vrijmoet, trouwde op 23 februari 1777 te Waddinxveen met Antje Bastiaanse Uithol. Het echtpaar kregen 5 zonen en 7 dochters.
Het beroep watermolenaar ging vaak van vader op zoon. De zonen Cornelis gedoopt op
29 december 1782 geboren op de Kerfwaateringse molen en Jan gedoopt op 8 april 1796 werden ook watermolenaars. Dochter Aafje trouwde met Pieter Verboon, die het watermolenaarsvak vermoedelijk van zijn schoonvader leerde. Pieter Verboon kwam eigenlijk uit een oud boerengeslacht, een nazaat van Job Cornelisz Verboon, bouwman en slagturver te Pijnacker ca. 1600
( Pieter Verboon kon zijn brood verdienen met het droog houden van de polders wegens wateroverlast, het gevolg van het slagturven door zijn overgrootvaders).

Jaarlijks ontving de molenaar een vergoeding voor zijn arbeid.
In de jaren 1773 / 1774 bedroeg het maalloon fl.85,50, in 1775 / 1776 fl.125,--,
in 1778 / 1782 fl.108,-- en in het jaar 1784 zelfs 300 gulden.
In 1791 komt Pieter Neeleman niet meer voor als molenaar op de Kerfwaateringse molen, maar een zekere Gerrit Krom. Bij de doop van zijn dochter op 30 mei 1790 staat de opmerking: van de bovenmolens. Of hiermee de Kerfwaateringse molen bedoeld wordt of een andere bovenmolen is mij nog niet bekend. Pieter Cornelis is wel in Berkel gebleven, want zijn kinderen geboren na 1790 werden allemaal te Berkel gedoopt.


Bij de doop te Berkel van enkele kinderen van Pieter Cornelis Neeleman werd vermeld:
in de Westpolder of van de boven molens.
Dit gegeven wekte mijn nieuwsgierigheid.
Bestaat de molen nog of waar heeft deze molen gestaan en hoe zag zij eruit?
Helaas de molen bestaat niet meer.

westpolder
Westpolder

Een watermolenaar zorgde voor de waterhuishouding van een polder.
Maar wat blijkt deze molen maakte deel uit van een droogmakerij.
In het midden van de 18e eeuw waren in Zuid-Holland vele veenplassen ontstaan die één voor één werden drooggemalen. Zo ook de Westpolder tegelijk met de Noord-en Zuidpolder van Berkel tussen 1773 en 1776.

Wat is een droogmakerij en hoe zijn de veenplassen ontstaan?



Cruquius fragment kaart Delfland 1712


Ontstaan van het plassengebied in Zuid-Holland.

Een groot deel van midden Zuid-Holland bestond uit laagveen en bereikte een dikte van 2 tot 6 meter De eerste boerderijen werden ca. 800 gebouwd, maar de echte ontginning vond plaats tussen 1000 en 1300. Op de metersdikke veenlaag kon landbouw bedreven worden. De ontginning bestond uit het verwijderen van bomen, struikgewas en afvoer van water. Veen heeft n.l. de eigenschap om zoals een spons water vast te houden.

Eerst werd het terrein afgebrand en vervolgens verdeeld in gelijke stukken van 30 roeden en daar tussen de sloten van 6 voorling lang. De zogenaamde strook ontginningen: diepte in voorlingen, breedte in roeden uitgedrukt. Een hoeve van 30 roe bij 6 voorling was de standaardmaat. ( 30 roeden = 113 meter en 6 voorling = ruim 1243 meter) De sloten groef men recht op het afwateringskanaal en bij de rivier, die als transportweg diende, werd de hofstede gebouwd.

Aanvankelijk verliep de afwatering zonder veel problemen doordat het veen boven het waterpeil van de rivier lag. Door het onttrekken van water aan het veen verloor het veen veel volume en hierdoor begon ze in te klinken.

Men was genoodzaakt om van akkerbouw over te stappen naar veeteelt. Geleidelijk aan kwam het grondwater zo hoog te staan dat het land te weinig hooi voor de dieren opleverde.

Uiteindelijk werd het noodzakelijk om dijken aan te leggen en rond 1400 werd de windmolen (wipmolen) ontwikkeld , waarmee water op een hoger niveau kon worden gebracht. Maar pas in de zestiende eeuw. werd de molenbemaling algemeen ingevoerd en verschenen de eerste poldermolens. Het land bleef hiermee tot op zekere hoogte droog.

Door toenemende bevolking en welvaart was de vraag naar turf in de Hollandse steden zo groot dat het voor boeren financieel interessant werd om te gaan vervenen.
Velen werden daarom veenboer of slagturver. Om aan de behoefte te voldoen werd veel veen afgegraven voor de bevolking van de steden , maar ook voor de vele bierbrouwerijen. Bier was een volksdrank, hoe slechter het drinkwater hoe meer vraag naar deze licht alcoholische drank. De veenderij werd het hoofdmiddel van bestaan in o.a. de polders van Berkel, Ommoord, het gebied rondom Pijnacker-Nootdorp en Vinkeveen, waardoor de veenkussens snel slonken.


slagturven

Door de turfstekerij ontstonden echter enorme waterplassen, zodat men overging op slagturven van veen. Het veen werd tot op de kleilaag opgebaggerd, dus tot meters onder de waterspiegel. Deze plassen zorgden voor verlies van landbouwgrond en voortdurend overstromingsgevaar, zodat de bevolking wegtrok. Onder de bevolking die achterbleef heerste veel armoede, hun broodwinning bestond voornamelijk uit vissen en rietsnijden. De enige manier om het land van de ondergang te redden was een droogmaking. Hierdoor zou landbouwgrond beschikbaar komen, wat meer werkgelegenheid en welvaart betekende.
Meer info

Van veenplas tot polder.

Eerst werd de polder bedijkt en werden afvoerkanalen gegraven Vervolgens werd de veenplas leeg gemaald met meerdere poldermolens, die met een hoogte verschil van maximaal 1,50 meter in serie achter elkaar lagen de z.g molengang.
Zo'n molengang kon uit 2, 3 of 4 molens bestaan, afhankelijk van de diepte van de polder. Meerdere molengangen konden nodig zijn afhankelijk van de grootte van de droogmakerij.

Molengang te Zevenhuizen

foto van Jan van der Vlies

Daarna werden de sloten gegraven en de drooggevallen grond in kavels verdeeld en verkocht. Na een proces van enkele jaren kon de ontstane polder weer in gebruik worden genomen als landbouwgrond.


Poldermolens.

De wipmolen.

scheprad
Het scheprad geplaatst buiten tegen de zijgevel
Achterlandsemolen te Groot Ammers bouwjaar voor 1596

wipmolen

Rond 1400 werd de wipmolen, de eerste windmolen om polders droog te houden, ontwikkeld uit de standerdmolen en voorzien van een scheprad.
Het scheprad kan zowel binnen als buiten tegen de zijgevel geplaatst zijn, maar dan veelal met een houten afdekking. Bij deze molen is het hele bovenhuis draaibaar om een koker, die in verticale stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van het onderstuk.
Grotere wipmolens hebben woonruimte in het onderstuk. Daar deze niet veel ruimte bood, stond in de naaste omgeving een klein huis waar het molenaarsgezin in de zomer woonde.
Het bovenhuis van de wipmolen is soms in felle kleuren geschilderd. In het rivierengebied zijn de bovenhuizen vaak donkerbruin (vooral indien de molenaar streng gereformeerd is). Het 'wippen' komt van het schudden van de molen als het hard waait.Vooral in Zuid-Holland en Friesland treft men nog wipmolens aan.

Hollandse poldermolen.

De grotere poldermolens ontstonden in de tweede helft van de zestiende eeuw in
Noord-Holland. Kenmerken: achtkanter met stenen of houten onderbouw een rietgedekte bovenbouw met binnenscheprad.
Wegens de slappe ondergrond in Noord -en Zuid-Holland gaf men de voorkeur aan hout en riet, deze waren minder zwaar dan stenen molens. De Noord-Hollandse poldermolen heeft een onderbouw van over elkaar sluitende planken. De onderbouw van de Zuid-Hollandse poldermolen is wat minder hoog
en van steen.

De oudste bekende afbeelding van een
"achtkanter"uit 1640 getekend door
Jan Adriaensz Leeghwater
Bij de Noord-Hollandse poldermolen wordt de kap boven in de molen aan de binnenzijde gekruid in tegenstelling tot de Zuid-Hollandse poldermolen.
De kap van deze molen wordt van beneden af aan de buitenzijde gedraaid met behulp van het staartwerk en kruirad. Door het wielenkruis recht op de wind te zetten kan de molen zijn maximale kracht ontwikkelen.
Zowel de Noord-Hollandse poldermolen als de Zuid-Hollandse poldermolen staat vaak in een molengang.
De helft van de begane grond is bestemd voor woonruimte.


Zuid-Hollandse poldermolen met een doorsnede van het binnenscheprad, opgesloten tussen de gemetselde wanden.Het water wordt vanuit de polder aangevoerd door een grote poldersloot, de molentocht, om dan bij de molen tussen twee muren, de krimpmuren, naar het scheprad te worden geleid. Bij het draaien schept elk "bakje" zich aan de onderkant vol, wordt naar boven gevoerd en het water vloeit naar de hoger gelegen molensloot of boezemsloot. De wachtdeur houdt het terug vloeien van het water tegen in tijden dat het rad niet draait.

Droogmakerij de Westpolder van Berkel.


(rode molen is de Kerfwaateringse molen)

Op 8 december 1767 werd het door de ambachtsbewaarders van Berkel en Rodenrijs ingediende verzoek tot droogmaking van de West, Noord en Zuidpolder goedgekeurd door de Staten van Holland en Westfriesland. Pas na 5 jaar op 15 juni 1772 verleende ook het Hoogheemraadschap van Delfland haar goedkeuring.
Inmiddels waren de voorbereidingen al in volle gang. De eerste palen voor de afbakening waren al geslagen. Maar na die 15de juni kon eindelijk met de aanbestedingen voor de molenbouw, dijkaanleg en het graven van sloten en kanalen worden begonnen. Ongeveer 382.571 guldens, 17 stuivers en 9 penningen (dat is zo'n € 173.604) waren nodig om de drie polders droog te leggen. Er moesten zeven nieuwe molens worden gebouwd. De kosten per molen bedroeg in 1773 ca. 11.800 gulden (ca. € 5355 )
Voor de Westpolder werd een driegang molengang ingezet.

molengang
Een molengang is een serie achter elkaar liggende molens. Het water kon per molen maximaal 1.50 meter omhoog gebracht worden.
Zo'n molengang kon uit 2, 3 of 4 molens bestaan, tweegang, driegang of viergang.

Als eerste werd de Kerfwaateringse molen, de bovenmolen van de molengang gebouwd. Deze maalde eerst het water 1 tot 1,5 meter weg, waarna de 1,50 meter lager gelegen middenmolen aan het werk werd gezet. Vervolgens was het de beurt aan de ondermolen, die weer 1,50 meter lager lag, om het diepere gedeelte van de plas af te malen.
Na 4 jaar in de zomer van 1776 was het werk voltooid en konden de sloten gegraven worden. In mei 1777 werd 31 morgen van de Westpolder verkocht voor de prijs van 125 tot 250 gulden (€ 57 tot € 113) per morgen.

polder
indeling van een polder na droogmaking

Als gevolg van de droogmakerijen heerste er in 1779-1781 talloze ziekten te Hillegersberg, Bergschenhoek, Schiebroek en Berkel en Rodenrijs. Door de rottende planten en dierresten die vrij gekomen waren ontstond een epidemie van besmettelijke moeraskoorts of malaria achtige ziekten.

De molen als woonruimte.

Pieter Cornelis Neeleman bleef met vrouw en kinderen op de Kerfwaateringse molen.
Het molenaarsgezin had als woonruimte tot hun beschikking: de helft van de begane grond, deze ruimte bestond uit de gang, woonkeuken en ingebouwde bedsteden.
Daarnaast aan de ene kant de trap naar de slaapplaatsen op de eerste verdieping, aan de andere kant de trap naar de kelder. Aan beide zijden van de gang waren twee toegangsdeuren. Welke gebruikt werd was afhankelijk van de stand van de wieken, dus van de windrichting. De andere helft van de begane grond werd in beslag genomen door het scheprad.

interieur van een molen
Bovenaanzicht begane grond
interieur van een molen

Hoe zou de Kerfwaateringsemolen eruit hebben gezien?

zuidhollandse poldermolen

Molen de Valk, eerder bekend als Zuyd Eyndse molen, is een achtkante grondzeiler met Oud-Hollands wiekenvorm.
De molen was één van de twee voormalige ondermolens van de dubbelgang, twee hoog van de polder en deed dienst tot 1929. De molen werd als eerste van de 7 molens van de droogmakerij van de West, Noord en Zuidpolder te Berkel gebouwd in 1772.
Daar de Kerfwaateringse molen een jaar later klaar was, zullen deze molens vrijwel identiek aan elkaar zijn geweest.

( mocht iemand een afbeelding hebben van de Kerfwaateringse molen dan hou ik mij aanbevolen)

 

Bronnen:
Molens door Ir. F. Stokhuyzen
De oude droogmakerij van de Noord, de West en de Zuidpolder in Berkel en Rodenrijs
De Mens en het landschap
http://www.molens.nl/

©2002